vrijdag 16 januari 2015

'Gert' - Jan van der Haven, een kort verhaal

Er zijn heel veel mensen die een buurjongen hebben. Ik heb er ook één.
Mijn buurjongen is er één om trots op te zijn, je zal ook maar naast zo iemand wonen. Hij is voornaam, en omdat ik naast hem woon, straalt zijn voornaamheid ook een beetje op mij af.
Gert heet ‘ie. Hij is heel netjes en verkeert in de hoogste kringen van ons dorp. Je ziet hem veel met de burgemeester of met de dominee, en op gemeenteraadsvergaderingen wordt hij zelden gemist. Op ons dorp is hij notabel. Men neemt nota van hem.
Zo’n tweemaal in de week vereert hij ook ons gezin met een bezoek, en één van die twee bezoeken in de week is altijd op zondagmiddag. Meestal op het tijdstip waarop mijn vader in zijn luie stoel zit te slapen. De man werkt dan ook zes dagen van de week ontzettend hard, en op zondagmiddag neemt hij het er van. Wij vluchten allemaal de kamer uit, want vader slaapt. Je mag dan absoluut geen geluid maken.
Om ongeveer twee uur klinkt een bescheiden belletje. Dan gaat moeder naar de deur en laat Gert binnen. “Ga maar zitten, Gert” zegt moeder, als Gert haar een hand heeft gegeven. Vader slaapt gewoon door, of hij veinst te slapen. Dat heb ik eigenlijk nooit geweten. Het bezoek van Gert behoort tot de steeds terugkerende rituelen van de zondag.
Na een kwartiertje verzoekt Gert om even op het orgel te mogen spelen. Wij hebben een harmonium in de huiskamer staan, waarop mijn oudste broer en mijn zus altijd spelen. Het is een wat pompeus orgel, met een trapmechanisme dat flink wat bijgeluiden produceert. Wanneer er zachtjes op het orgel wordt gespeeld, ontstaat er altijd een zekere concurrentie tussen de waarneembaarheid van de orgelmuziek en het gepiep en gekraak van het trapmechanisme. Daarom vermijdt de organist van het moment het meestal om de zachte passages in zijn muziek ook werkelijk zacht te spelen, omdat de welluidendheid van de muziek anders toch niet tot haar recht komt.
Op zondagmiddag wordt er alleen door Gert gespeeld. Zijn verzoek om te spelen wordt nooit afgewezen, ondanks de middagdut van vader. Verbazingwekkend overigens, dat vader erbij kan slapen. Wij mogen zelfs niet eens praten, of te veel door de kamer lopen. Maar Gert speelt op het orgel, ongestoord, zelfs boven de bijgeluiden van het trapmechanisme uit en in akkoorden die elke muzikaal gevormde ziel tot wanhoop brengen. Vader is niet muzikaal gevormd. Misschien ligt daar de oorzaak van zijn welwillendheid. Of ligt die oorzaak wellicht toch dieper?

De vader van Gert is groenteman in ruste maar nog altijd staat de groentekar, getooid met een heuse huif, op hun erf. Op zondagmorgen na de kerkgang staat Gert op de kar. In de kar zitten wij, netjes naast elkaar op omgekeerde groentekistjes, en wij luisteren naar wat Gert zegt. Druk gesticulerend spreekt hij volzinnen uit in een taal die alleen de Schepper aller dingen en hijzelf begrijpen, en hij wijst daarbij veelvuldig met een wijsvinger naar omhoog. Aandachtig luisteren wij naar Gert, althans, dat pogen wij. Want zodra Gert merkt dat onze aandacht verslapt, dan treedt hij waarschuwend op. Toch gaat zijn preek over onze hoofden heen, zoals ook de preek van die ochtend in de kerk over onze hoofden is heengegaan. Ook die werd uitgesproken in een taal die wij nog niet begrepen. Secuur weet ik dat allemaal niet meer zo, het zijn ook herinneringen uit een grijs verleden. Maar Gert staat nog altijd levensgroot in mijn herinnering afgetekend. Grotesk, imponerend, respect afdwingend.
Gert is op zondag altijd in de kerk. Hij geniet het privilege om, tegelijk met de ouderlingen en diakenen vanuit de kerkenraadkamer de kerk binnen te mogen komen en eveneens plaats te nemen in de ouderlingenbank. Dat is wat wonderlijk, want nimmer werd Gert als ouderling bevestigd. Hij drong zich, bij wijze van zeggen, maar zo tussen de kerkbestuurders in, met een vrijmoedigheid waar velen jaloers op zouden zijn.
Hij is netjes, buitengewoon netjes. Als hij gaat zitten, dan trekt hij beide broekspijpen wat op, zodat er geen knieën in zijn broek komen. En als hij dan tien minuten heeft gezeten slaat hij, alweer zeer deftig, de benen over elkaar, neemt een denkbeeldig pluisje tussen duim en wijsvinger en plukt dat van zijn mouw of broek.

Gert neemt deel aan alle culturele en bestuurlijke activiteiten op ons dorp. Ongevraagd, ongenodigd. Altijd welkom en nooit te veel. Of het nu een begrafenis is, een huwelijk of een geboorte, Gert is er.
Op straat, wanneer kwajongens het in hun boosheid te erg maken, dan is Gert daar om hen terecht te wijzen. Want slaan, schoppen en schreeuwen behoort men niet te doen vindt Gert. En daarom heft hij in zo’n geval de wijsvinger in een waarschuwend gebaar naar hen op.
Zo is hij pastor in droeve en blijde gebeurlijkheden, is hij gemeente- en kerkbestuurder, maar tegelijkertijd ook onbezoldigd toezichthouder op de openbare orde.
Mijn buurjongen is buitengewoon fijngevoelig. Als hij -dat komt onder ons wel eens een enkele maal voor- te veel is, dan behoeft hij daar nooit op gewezen te worden. Hij trekt zich in zo’n geval stilletjes en discreet terug.

Wij hebben een harmonieorkest op ons dorp, en bij elke feestelijke aangelegenheid treedt dat op. Natuurlijk wordt dat korps, zoals gebruikelijk, voorafgegaan door een tamboer-maître. Hevig zwaaiend met de stok en hem zo nu en dan hoog opwerpend en weer vangend -ik verbaas mij daar steeds weer over- bepaalt hij de route van het korps.
Ons muziekkorps is een heel gewoon korps. Maar toch heeft het iets, wat maar weinig korpsen zullen hebben. Daarin is het, ik zou bijna zeggen: uniek. Want als het korps al spelend en trommelend door het dorp marcheert, loopt Gert met de fiets aan de hand direct achter de tamboer-maître. Gert is de tweede man van het korps. En hoewel hij geen uniform draagt, toch behoort hij bij het korps. Zoals hij bij de gemeenteraad behoort, en bij de kerkenraad.
Wanneer het bestuur van ons muziekkorps de jaarlijkse bazaar houdt, om de zo noodzakelijke inkomsten op peil te houden, dan is Gert er. Meestal is hij te vinden bij het rad van avontuur waar hij, op aanwijzing, de gewonnen prijzen uitreikt.

Ook bij de muziekuitvoeringen van ons korps is Gert present. Hij assisteert de dirigent bij het dirigeren, en reikt na afloop van de uitvoering, de dirigent en de voorzitter van het korps de hand. Zulks als teken van dank. Dan, na een buiging naar het publiek, stapt hij waardig het podium af.
Ons dorp is rijk met zo’n man. Die man bepaalt, om zo te zeggen, het gezicht van het dorp. Hij bestuurt en vermaant, is blij met de blijden en bedroefd met de bedroefden.

Eens, op een dag, zag ik door het zijraam van onze woonkamer dat de gordijnen bij onze buren gesloten waren. Nu is dat niet opzienbarend wanneer het laat op de avond, dan wel vroeg in de morgen is. Maar dit was anders. Het was etenstijd, ‘s middags om half één. Dat is geen tijdstip om de gordijnen gesloten te hebben. Er sprak iets droefgeestigs uit. En spoedig vernam ik uit de gesprekken aan tafel dat Buurman, Gerts vader, gestorven was.
Drie dagen later, ik was horendol van het voortdurend klokgelui, heb ik een lange zwarte auto voor het huis van Gert zien staan. Er werd een blankhouten kist in geschoven, en daarna zag ik Gert naar buiten komen. Hij stelde zich, zijn moeder aan de arm, op achter de lange, zwarte auto. Daarachter kwam de overige familie van Gert. En achter die familie weer buren en kennissen, waaronder ook ouders.
Altijd, wanneer ik de klokken van de kerk hoor luiden (ik woon vlakbij de kerk), op een tijdstip waarop ze gewoonlijk niet luiden, zie ik in mijn herinnering de beelden van een lange zwarte auto, met daarachter Gert met zijn moeder, arm aan arm.
Een paar dagen later zag ik vanuit ons zijraam Gerts moeder zitten. Ze huilde. Gert stond naast haar en legde zijn hand op haar schouder. Dan zei hij iets en wees met de wijsvinger van de andere hand omhoog.
Sinds die tijd is er iets veranderd. Gert is niet meer zo vaak met de burgemeester te zien, en op gemeenteraadsvergaderingen komt hij ook weinig, zo wordt verteld. Hij komt ook bij ons niet meer zo vaak op bezoek als voorheen. Als hij komt, dan zit hij maar stilletjes voor zich uit te staren. Wanneer moeder, die hem nog het best van ons allemaal begrijpt, vraagt hoe het met hem is, dan zie ik weleens een traan in zijn oog. Dan wijst hij naar omhoog en zegt dan: “Pa”.
Nog zie ik de trouwhartige blik uit die typisch gevormde, toen wat vochtige ogen, die hij daarbij op moeder gericht hield.
Gert is veranderd. Hij speelt niet meer op ons orgel. En preken op de groentekar op zondagochtend na de kerkgang doet hij ook niet meer. De groentekar is trouwens al snel na het overlijden van Buurman van hun erf verdwenen.
Gert heeft nog enkele jaren naast ons gewoond. Op een ochtend kwam er een verhuiswagen bij hen voorrijden, waarin alle huisraad van onze buren verdween. Gert heeft nog een laatste bezoek aan ons gezin gebracht en is toen vertrokken. Zijn moeder kon de zorg voor Gert niet meer aan en is in een verzorgingstehuis gaan wonen.
En Gert? Gert is ook verhuisd. Hij is naar een instelling gegaan waar zulke mensen op hun plaats zijn... vinden wij.
Wij, op ons dorp, zijn achtergebleven met een lege plek. Een plek die alleen als leeg wordt ervaren als we even de tijd nemen om terug te blikken. Want onze tijd gaat snel, te snel. En lege plekken worden, voordat wij daar erg in hebben, alweer ingenomen door iets, of door iemand van wellicht wat minder belang dan onze Gert. Want zo mag hij toch in onze herinnering blijven. Als onze Gert!

Leeft Gert nog? Ik weet het niet. In elk geval leeft hij voort in mijn herinnering en helpt mij zo nu en dan om het leven te nemen zoals het zich aan mij voordoet.



Jan van der Haven

Geen opmerkingen: