vrijdag 2 januari 2015

Rudy´s wereld - Fifty shades of Grey

Een van de meest fascinerende eigenschappen van de menselijke soort lijkt me haar associatievermogen. Het aan elkaar kunnen koppelen van twee niet gerelateerde feiten of gedachten en daar dan op verder bouwen, vormt mijns inzien ook zo ongeveer de basis van alle creativiteit. Het is toch geen toeval dat onze hersenen op dezelfde manier werken? Eigenlijk vormen ze een perfect spiegelbeeld: massa's hersencellen - nu ja, niet bij iedereen :-) - die elektrische pulsjes uitzenden of doorgeven, aan een rotvaart, en met zovele tegelijk dat zelfs de sterkste mainframecomputer de werksnelheid niet kan evenaren. Het aantal mogelijke combinaties onder een modale hersenpan is vergelijkbaar met de Belgische politiek: het voorstellingsvermogen van de gewone burger voorbij.
Van dat associatievermogen mocht ik gisteren nog een staaltje ondervinden. 
Ik zat op de boemeltrein naar Brussel - dezelfde die figureert in mijn thriller Getuigen - en staarde solidair met mijn medereizigers wat doelloos door het raam naar de blauwe lucht, de voorbij schuivende gesloten overwegen en de dorpskernen in de verte. Om de paar minuten werd de monotonie doorbroken door weer een halte aan een klein stationnetje. (Associatie: 'in een klein stationnetje, ’s morgens in de…”) Bij elk stationnetje hoort uiteraard een parkeerplaats, en toen ik naar de geparkeerde auto’s keek, schoot het me zomaar te binnen. Of om het in biologische termen te vatten: een groep hersencellen flitste een reeks impulsen tot bij een troep collega's waarmee ze gewoonlijk geen contact had. Resultaat?
Fifty shades of grey. 
Zonder hoofdletter voor het laatste woord.
Vjftig tinten grijs. Wie ooit verantwoordelijk was voor de vertaling van de titel, zit waarschijnlijk nu nog steeds John Cleese en Life of Brians-gewijs ergens in een put, met de handen over het hoofd te jammeren dat ‘hij/zij het allemaal niet zo bedoeld had, en dat het een vergissing was’. Zover ik het weet - ik heb het boek namelijk niet gelezen, en ben dat ook niet van plan - gaat het wel over ene menéér Grey. Zoals in de familienaam Grey. Charles Grey, Brigitte Grey, Patrice Grey, Nancy Grey… Niet grey als grijs dus. 
Eigenlijk zou de titel dus moeten zijn: De vijftig tinten van meneer Grey. Of iets dergelijks. Maar dan zou ik natuurlijk de associatie niet cadeau hebben gekregen.
Vijftig tinten 'grijs', dus.
De parkeerplaats. 
Misschien stonden er zelfs vijftig auto’s. Zou wel leuk geweest zijn. Maar dan had ik ze moeten tellen. ‘De trein wachtte echter niet lang genoeg’ is een leuk excuus, maar de waarheid gebiedt me te bekennen dat ik er gewoonweg niet aan gedacht heb om dat te doen.
Vijftig tinten grijs. De hele parkeerplaats telde maar één enkele 'gekleurde' auto: een rode Toyota. Verder alleen maar variaties op grijs. Vijftig tinten grijs. Of meer. Tinten dan. 

Vanaf dan viel het me natuurlijk bij elke halte op: nauwelijks gekleurde modellen op de parkeerplaatsen. Alleen maar grijs. Overal.
Zou daar nog een andere verklaring voor zijn dan een economische? Hoogstwaarschijnlijk is het voor de fabrikant gewoon veel goedkoper om koetswerken enkel in een variant van grijs te spuiten. En misschien is dat wel hét teken van deze tijd, dat àlles alléén maar met een economische blik màg bekeken worden. Net zoals een boek met de titel ‘vijftig tinten grijs’ een monsterhit werd dankzij een briljant georchestreerde hype, lijkt onze maatschappij in een mentaliteit weg te zakken die felle kleuren alleen tolereert als ze marketinggewijs zijn ‘gelanceerd’, en geld opbrengen - liefst voor buitenlandse mastodonten. Anders lijkt uniformiteit de norm te worden, het na te streven ideaal.

Nog steeds - maar dat zal wel een mannelijke hebbelijkheid zijn - zit ik bijvoorbeeld met open mond te kijken naar het fenomeen mode. Ergens - waar? - wordt beslist dat volgende zomer bijvoorbeeld kaki de 'modekleur' wordt, en twee maanden later stormt iedereen naar de winkel, want 'je moet toch modebewust zijn'. 
Waaròm moet ik dat? 
Gewoonlijk welt er dan spontaan een vraag in mij op, en er gaat geen jaar voorbij of ze ontsnapt me ook wel eens: wat als je de nieuwe modekleur niét mooi vindt? Meer nog: wat als je ze spuuglelijk vindt?
Het antwoord dat ik dan gewoonlijk krijg? 'Dat kan niet. Mode en schoonheid hebben niks met elkaar te maken.' Nadàt me duidelijk is gemaakt dat ik daar als man uiteraard niets van begrijp. Niets van kàn begrijpen. :-)
Een pak van mijn hart. :-)
Het belang van uniformiteit, van allemaal achter elkaar, in dezelfde richting, als schapen op een rij, wordt er alsmaar systematischer in geramd. Voorlopig is het nog 'vijftig' tinten grijs. Maar een van de hersencelletjes toetert nu ineens dat dit binnenkort wel eens zou kunnen gereduceerd worden tot 'twintig' tinten grijs. Economisch interessanter.
Het favoriete woord van onze tijd. 'Economisch'.
En daarna? 'Tien' tinten grijs. Mits méér en strakker georganiseerde reclame... Moet kunnen. 
En tenslotte. Gewoon 'grijs', in plaats van 'Twee tinten grijs'. Eén woord in plaats van drie. Véél economischer. En voordeliger.
Voor iemand. Ergens.
Waarom schrijf je dan eigenlijk nog? (Dat heb je met toeterende hersencellen, natuurlijk. Onverwachte vragen, zomaar uit het niets.)
Om zoveel redenen. Maar 'economische' zijn er niet bij. :-) Anders zou ik wel een andere bezigheid kiezen. Mode bijvoorbeeld. :-)
Flits! 
Natuurlijk. Als je over associaties schrijft... Om te besluiten, een associatie on the spot
Als er één song is die hoort bij mijn nieuwe boek - 'Bewijs het maar', over drie maanden in de winkel - is het Slow, van Leonard Cohen.

Geen opmerkingen: