vrijdag 13 februari 2015

Het winnende verhaal; 'Recycled' van Mirthe Klaasse


                                        
                              1e prijs; 'Recycled' door Mirthe Klaasse




Vrijdagavond


Met twee handen schud ik de man heen en weer die doodstil onder me ligt. Zijn ogen zijn wijd opengesperd en kijken levenloos naar de gebladderde verf op het plafond. Snel rol ik van hem af als ik me realiseer dat er geen leven meer in die kerel zit. Oh nee, fuck! Godver, dit gebeurt me toch niet echt? Ik dacht dat hij een heftig orgasme had… Ik sla hem hard met mijn vlakke hand in zijn gezicht. Zijn hoofd beweegt op het kussen. ‘Wordt wakker, klootzak!’ gil ik in zijn oor. Ik besef dat het vergeefse moeite is.
Hij leek best lekker, hij is – was – ook lekker.
Wat verloren zat hij aan de bar van mijn stamcafé naar zijn glas te staren. Mijn blik viel meteen op hem toen ik met een vriendin binnenkwam. Ik ben geen kroegtijger, maar deze keer had ze me weten over te halen om een keer mee te gaan.
Ik ging naast hem zitten, verloor mijn gezelschap uit het oog, bestelde een biertje en veinsde totale desinteresse in hem. Vanuit mijn ooghoek hield ik zijn gezicht in de gaten. Hij was gewoon een mooie kerel. Pas toen ik mijn derde biertje wilde bestellen, gaf hij een teken aan Joost de barman, dat het op zijn bon geschreven moest worden. Met mijn meest stralende glimlach proostte ik en we raakten oppervlakkig aan de praat. Een paar uur later en flink wat drankjes verder, had hij me alle ellende uit zijn huwelijk verteld. Getrouwd, dus geen verplichting was het eerste dat in me opkwam. Zijn verhaal nam ik met een flinke korrel zout. We hadden alleen onze voornamen gedeeld. Richard en Chantal. Chappie voor vrienden.
Ik nam hem mee naar mijn huis.

Shit, wat moet ik nu? Ik heb zijn kleren al onderzocht. Maar ik kan, behalve de portemonnee in zijn broekzak – die overigens goed gevuld is – geen enkele legitimatie vinden. Geen rijbewijs, niets. Ik slik de brok in mijn keel weg. Ik heb een lijk in mijn bed liggen en het enige wat ik weet, is dat hij Richard heet. Als dat zijn werkelijke naam is tenminste, want zelfs daar ben ik niet zeker van. Een golf van paniek giert door mijn lichaam die ik uit alle macht probeer te onderdrukken. Mijn hele leven komt hiermee in de knoei. Ik kan me er al een voorstelling van maken. Politie over de vloer, het onderzoek, de vragen en de verdenking of ik … misschien … een handje geholpen heb. Verdomme! Ik ga bijna nooit uit. En precies nu ik voor
de belangrijkste stap in mijn leven sta, moet ik zo nodig een kerel meenemen die vervolgens de pijp uit gaat.
Over vier dagen word ik een volwaardig partner van het advocatenkantoor. Iets waar ik al tien jaar keihard voor gewerkt heb en ik ben niet van plan om dat in gevaar te brengen. Mijn nieuwe jaar en mijn nieuwe leven begint niet op 1 januari maar op 12 februari.
Van frustratie geef ik een beuk tegen het kussen dat naast me op de bank ligt. Waarom ik? Waarom nu?
Denk na Chap, denk na! Het is geen mens opgevallen dat we samen het café verlieten. Sterker nog, hij stond al een paar minuten eerder buiten omdat ik werd tegengehouden door een vage kennis die ik al een tijdje niet had gezien. Goed, een punt in mijn voordeel. Ik ben alleen naar buiten gegaan en hoewel we samen naar mijn huis zijn gelopen, heb ik gezien het tijdstip geen mens op straat gezien. Hoewel… helemaal zeker ben ik niet omdat hij regelmatig stopte om me hartstochtelijk te zoenen. Ik zal hem op de een of andere manier mijn huis uit moeten krijgen zonder dat ik zelf in de problemen kom.


Zaterdagochtend vroeg


Op mijn tenen ben ik naar boven geslopen. Onzin natuurlijk want die vent is nog steeds hartstikke dood. Hij begint er een beetje griezelig uit te zien. Zijn mond is een stukje open gezakt en zijn huid begint te verkleuren. Hij is pas een paar uur dood! Zijn wangen hangen slap en zijn gelaatskleur heeft een grijze doorzichtigheid. Ik heb het dekbed over zijn gezicht heen gegooid en ben misselijk naar de wc gerend. Na een tijdje kokhalzend – zonder enig resultaat – boven de pot te hebben gehangen, heb ik mijn gezicht onder de koude kraan gehouden. De druppels die in mijn nek gleden, brachten me weer een beetje bij mijn positieven. Het beeld van zijn dode ogen en open mond blijft op mijn netvlies hangen. Als ik hem wil laten verdwijnen, moet ik hem aanraken. Ik ril bij de gedachte alleen al.

Mijn gedachten dwalen af naar de verhalen die ik wel eens van mijn collega’s, die zijn gespecialiseerd in strafrecht heb gehoord. Gruwelijke moorden, kogels en messteken. Verkrachtingen. Gewelddadige overvallen. Ook moordenaars en verkrachters hebben recht op verdediging. Ik ben geen moordenaar, ik ben een meid met veel pech. Een heftig gekuch laat me overeind springen. Met kloppend hart sta ik midden in de kamer. Dat kan niet! Hij is dood. Langs het raam loopt de buurman van een paar huizen verderop met zijn hond. Mijn hart komt tot bedaren als ik zijn verkouden gezicht zie, terwijl een nieuwe hoestbui hem overvalt. Stom wijf, denk ik meteen. Is het al acht uur? Dat is de tijd dat de buurman altijd met zijn hond gaat wandelen. Vijf over acht. Het zweet breekt me weer aan alle kanten uit. Het daglicht wordt feller. Dat betekent dat ik hem de hele dag in mijn bed moet laten liggen. Het duurt zeker nog vijftien of zestien uur voordat iedereen in de straat de slaapkamer heeft opgezocht.
Een nieuwe gang naar de slaapkamer blijft me niet bespaard. Met mijn blik van het bed afgewend, pak ik schone kleren uit de kast. Terwijl ik beneden een kop koffie drink, laat ik het bad vollopen.
De stoom van het warme water vult de badkamer en omhult me als een warme deken. Met mijn ogen dicht probeer ik in het bad te ontspannen. Het lukt niet. De paar meter die me van de dode man scheiden, blijft in mijn gedachten rondspoken.

Kippenvel springt op mijn armen. De gedachte die in mijn hoofd opkomt, laat mijn hart sneller kloppen. Een walgelijk, maar doeltreffend idee. Diep ademhalend blijf ik in het water zitten dat al begint af te koelen. Het is al veel vaker gedaan, mijn idee is niet bepaald origineel, maar het houdt voorlopig wel een hoop moeilijkheden buiten de deur. Of misschien beter gezegd, ik houd de moeilijkheden binnen.
Durf ik het, kan ik dat wel? Onwillekeurig schud ik mijn hoofd. Er is niets te willen, het zal moeten. Verstand uitschakelen en doen.


Zaterdagavond


Eindelijk wil mijn maag de twee koppen koffie en het halve broodje dat ik gegeten heb, loslaten. Brandend in mijn keel kots ik het zure, waterige spul in de wc terwijl een nieuwe golf misselijkheid me overvalt als ik de bloederige strepen in de badkuip zie. Dertien – hoe ironisch – zwarte vuilniszakken vullen de kleine overloop.
Het was een stuk moeilijker en zwaarder dan ik dacht. In films en in boeken lijkt het zo eenvoudig. Ik was ruim een half uur bezig geweest om de korte afstand tussen de slaapkamer en de badkamer te overbruggen. Het koude, stijve lichaam werkte helemaal niet mee en ik was al uitgeput toen ik het onder de oksels naar de badkamer had gesleept en eindelijk over de rand van het bad kon duwen. Tot mijn verbijstering zag ik de witte sok aan zijn rechtervoet zitten. Hij was langer dan de badkuip, zijn voeten, één met en één zonder sok, staken stram over de rand.
Ik vluchtte de badkamer uit. Dit kon ik niet!
Mijn hele lichaam trilde toen ik beneden in de kamer met kleine slokjes een beker koffie dronk. Ik twijfelde. Toch de politie bellen? Als dat bekend wordt op kantoor, kon ik mijn carrière wel gedag zeggen. Ik heb A gezegd. Nu moet ik ook B zeggen, hield ik mezelf voor.
Na een uur had ik voldoende moed verzameld om met mijn beperkte keukengerei en een ijzerzaagje naar boven te gaan.

Met mijn ogen gericht op de vuilniszakken, poets ik mijn tanden om de smerige smaak uit mijn mond te krijgen. De misselijkheid is tot een redelijk niveau gezakt. Voorzichtig drink ik een paar slokjes koud water. Mijn maag lijkt het te accepteren.
Ik maak een mengsel van schoonmaakmiddel en chloor dat ik rijkelijk in de badkuip laat stromen. De bloedstrepen laten zich makkelijk verwijderen. Zou ik ooit nog in bad willen liggen?
Na een uur boenen, is er niets meer dat erop wijst dat er in dezelfde badkamer een bloedbad heeft plaatsgevonden. De geur van schoonmaakmiddel vult de ruimte. Een fris bloemengeurtje.
Ik stap over een van de vuilniszakken heen en ga de slaapkamer binnen. Met woeste bewegingen haal ik het beddengoed van mijn bed af en prop alles in de wasmachine. Ik zet het raam op een kiertje en ril even als de koele lucht de slaapkamer in komt.
Het wordt al schemerig en bij een aantal buren zie ik de lichten aangaan. Nog een paar uur wachten.

Mijn spieren protesteren gillend als ik één voor één de vuilniszakken van de overloop haal en ze naar de schuur in de achtertuin breng. De paar uur betrekkelijke rust die ik ze had gegund, was niet genoeg. Voor het eerst was ik blij met de enorme vriezer die mijn ex ooit had aangeschaft en die altijd leeg in de schuur staat.
De kou komt me tegemoet als ik het deksel van de kist open. Even was ik bang dat het ding het niet zou doen na al die jaren. Alle vuilniszakken kan ik er in kwijt. Een wit laken bedekt het zwarte plastic en met een zucht van verlichting laat ik het deksel dichtvallen. Ik moet een extra slot op de schuurdeur zetten, bedenk ik me. Zo’n standaard schuursleutel is bij iedere slotenmaker te krijgen.


Dinsdagmiddag


Met een glas champagne in mijn hand sta ik in het kantoor dat ik vanaf vandaag het mijne mag noemen. Ik begin me een beetje te ontspannen. Na alle plichtplegingen en handtekeningen ben ik partner. De glimlach die vanaf twee uur vastgevroren op mijn gezicht stond, begint te vervagen. Mijn gedachten dwalen terug naar huis, de schuur. Ik moet zien dat ik de inhoud van de vriezer ergens kan dumpen. Hij kan er niet eeuwig in blijven liggen.
Zondag heb ik bijna de hele dag geslapen. Niet in mijn eigen slaapkamer, maar op het ongemakkelijke, smalle bed in de logeerkamer. Mijn spieren zijn nog steeds pijnlijk, alsof ik een marathon heb gelopen. Gisteren, maandag heb ik met kloppend hart ieder nieuwsbulletin gevolgd. Wordt er iemand vermist? De wereld zwijgt.
Vandaag pluk ik de vruchten van mijn harde werken. Partner. Mijn specialiteit familierecht. Wellicht niet de meest spectaculaire tak van de advocatuur maar ik voel me er prettig bij.
Mijn nieuw ingerichte kantoor stroomt weer vol met collega’s, de glimlach op mijn gezicht komt terug. Ik moet me nog door een diner heen worstelen en daarna kan ik naar huis. Het onrustige gevoel blijft. Heeft iemand me gezien? Iemand die misschien niet kon slapen en me bij nacht en ontij met vuilniszakken had zien slepen? Er wordt een man vermist. Hij moet gemist worden door zijn vrouw. Hij zei dat hij getrouwd was. Geen kinderen. Of zou hij alles bij elkaar gelogen hebben?
Weer wordt er tegen een glas getikt en ik schrik op uit mijn sombere gedachten. De oudste partner en oprichter van de zaak wenkt me. Hij schraapt zijn keel en ik kijk enigszins verlegen naar de grond.
‘Lieve, lieve Chantal. Met trots wil ik je welkom heten als volwaardig partner. Een nieuw tijdperk breekt met jouw vakkennis aan voor ons kantoor. Ik weet dat het moeilijk is geweest en dat je er heel hard voor hebt gewerkt. Om onze waardering te laten blijken, wil ik je graag namens ons allemaal een cadeau overhandigen. Maak het thuis maar open en we hopen dat je het met plezier zal dragen. Ik krijg een klein pakje in mijn hand gedrukt.
Stotterend zeg ik: ‘Wat een verrassing. Ik weet niet wat ik zeggen moet.’
‘Zeg maar niets. Het diner wacht.’
Opgelucht loop ik achter hem aan naar de zaal waar de tafel gedekt staat.
Zie je wel, spreek in mezelf in gedachten toe. Dit had je allemaal kunnen verpesten.

Dinsdagavond


Na alle toespraken, het proosten en het eten kon ik met goed fatsoen afscheid nemen, in mijn auto stappen en naar huis rijden. Eindelijk! Tijdens het diner nam mijn ongerustheid steeds meer toe. Een onverklaarbaar gevoel. Normaal gesproken ben ik de nuchterheid zelve. Na dit weekend is alle nuchterheid als sneeuw voor de zon verdwenen. Hoe klein is de stap van advocaat naar misdadiger. Heel klein, dat is wel gebleken. Ik probeer het in mijn hoofd goed te praten. Het was een noodsprong en die kerel was tenslotte al morsdood.
Ik rem af en draai de auto in een parkeerplek. Mijn huis ligt er donker bij. Ik haal de sleutel alvast uit mijn tas, stap uit en vergrendel de auto. Een buurvrouw staat voor het raam en steekt haar hand op. Automatisch zwaai ik terug.
In de donkere gang hang ik mijn jas op en open de deur naar de woonkamer. Mijn hand tast naar het lichtknopje. Ik ben niet alleen! Op het moment dat die gedachte door mijn hoofd schiet, wordt de schemerlamp achter de bank aangeknipt en klinkt er een luidkeels: Surprise!
In een reflex deins ik achteruit. Mijn hand grijpt naar de deurpost, terwijl mijn knieën knikken van schrik. De knal van de kurk die uit een champagnefles wordt geschoten tegen het plafond aan, laat mijn hart een slag overslaan. Ik zie het grijnzende gezicht van mijn vriendin, wat andere mensen uit mijn kennissenkring en nog vagere kennissen die ik hooguit eens per jaar zie.
Met een enorme bos bloemen komt ze op me afgelopen. ‘Gefeliciteerd meid. Je hebt het eindelijk voor elkaar.’ De bloemen worden in mijn handen geduwd. Voor ik het weet sta ik met een glas champagne in mijn andere hand. Felicitaties van iedereen volgt. Het zweet breekt me uit als ik in de achtertuin ook lampjes aan zie springen en de barbecue zie roken. Johan, één van mijn oudste vrienden staat met mijn oude schort voor en keert een stuk vlees. In een groetend gebaar steekt hij zijn duim op.
‘Joh, wat heb jij een enorme hoeveelheid vlees in je vriezer liggen. We hebben er maar wat uitgehaald voor op de barbecue. Het zal onderhand wel gaar zijn.’
Ik registreer nog net haar voeten, gestoken in knalroze schoenen met enorme hakken voordat mijn lichaam de grond raakt en het zwart wordt voor mijn ogen.

Geen opmerkingen: