dinsdag 10 februari 2015

'Tellen' een kort verhaal van Jan van der Haven

Wie in zijn leven heeft niet wel eens geteld? Tellen doen we toch allemaal? Niemand staat er ooit bij stil wat tellen nu eigenlijk is. Telt een baby? Wanneer begint die eigenlijk te tellen, en wat telt ‘ie dan?
Ik kan mij voorstellen dat je op een gegeven moment in je ontwikkeling eerst je eigen vingers begint te tellen. Of het aantal rammelaars dat aan een koordje of elastiekje vlak boven je gezicht in de kinderwagen hangt. Om knettergek van te worden eigenlijk. Daar hangen zo’n stuk of vijf rammelende ballen vlak boven je gezicht te deinen en te wiebelen. En als je dat zat wordt ga je huilen. Want dat is het enige protest dat je kunt laten horen. Je moeder snapt daar niet veel van en denkt dat je je verveelt, dus gaat ze nog eens extra wiebelen met de wagen. Dat leidt er nu juist toe dat de wiebelende ballen nog veel harder gaan wiebelen en nog harder gaan rammelen. Je wordt nog onrustiger en gaat nog harder huilen. Daar snapt je moeder nu helemaal niets meer van. Ze stopt je nog eens extra in, zodat je het nog heter krijgt. En je had het al zo heet…
Het eigenlijke probleem is natuurlijk dat je moeder met haar gewiebel jou in de war bracht, je raakte de tel kwijt. Want wat je probeerde, was om te tellen hoeveel ballen er nu precies boven je gezicht hangen.

Je begint bij nul, natuurlijk. Nul? Bestaat nul dan? Nul ballen, nul spenen, nul¼ borsten, nul¼ dat is toch helemaal niks? En hoe moet dat dan met melk? Nul melk, kan dat?
Als je dan ineens de eerste bal in het oog krijgt, dan wordt het: nul, één¼ Hè, daar gaat die wagen toch aan het schudden, ik zie die eerste bal helemaal niet meer. Wacht effe. Nul, één, twee¼ Ja, het gaat! Hi, hi, mama, ik kan tellen, denk je. Maar dat kun je natuurlijk helemaal nog niet zeggen. En dan begint die wagen toch weer te schudden en te deinen. Je moeder denkt natuurlijk dat je dat schudden leuk vindt, dat je daarom lachte. Maar niets is minder waar. Je hebt ontdekt dat je tellen kunt, en dat probeer je duidelijk te maken met lachjes. Nul lachje, één lachje, twee lachjes dus, want nul lachjes bestaan niet. Nul is niks, dat is niet lachen en niks om te lachen.


Vroeger, toen je nog niet geboren was maar je al wel bestond. Je woonde nog in mama’s buik, toen probeerde je al te tellen. Maar wat moest je toen tellen. Je wist het niet. Je herinnert je dat je net begon te bestaan. Dat ging zo: Er was niets, alleen een heel groot ei en een wolk van miljoenen en miljoenen visjes om dat ei heen. Heel beweeglijke visjes met zwiepende staartjes.
Plotseling was er een plofje en drong zo’n visje dat heel grote ei binnen. En daar zat je dan. Je was er net en je was omgeven door die enorme wolk visjes en als vanzelf ging je die proberen te tellen. Maar het waren er zoveel, zoveel… Je raakte danig in de war en wat het nog erger maakte, telkens kwamen er bij. Soms duurde dat een week, soms maar een paar dagen. Dan kwam er weer zo’n wolk visjes. Tureluurs werd je er van en van puur verdriet ging je de eigen lichaamscellen maar tellen. Dat begon natuurlijk bij één. Want toen er nog nul cellen waren bestond je nog niet en was er dus nog helemaal niets te tellen.
Maar die ene cel werden er al gauw twee. En die twee werden er vier en die vier werden er acht en dat ging maar door en ging maar door. Je raakte er danig van in de war. Het enige wat duidelijk werd was dat je steeds meer ging begrijpen. Hoe meer cellen dus, hoe meer begrip.

Toen werd je geboren. Wat een verschrikking was dat. Er werd tegen je aangeduwd, er werd in je geknepen en telkens schoof je een stukje naar beneden met je hoofd in een soort trechtertje waar je steeds verder in geduwd werd. Tot je plotseling op de kille lakens lag en het ontzettend koud kreeg. Weg was je huisje waarin je zo veilig was, maar waar je ook zo moe was geworden van al dat tellen en weer opnieuw beginnen.

Plotseling word je opgepakt en op mama’s buik gelegd. Boven je hoofd ligt een mooie ronde borst die zachtjes op en neer gaat en zo nu en dan heen en weer deint op een plotseling zijdelingse beweging.
Je wilt er naar toe. Je wilt het aanraken, er aan zuigen, het tellen. Maar… o wee, er is er maar één. Maar één? Even kijken, ja daar is er nog één. Twee prachtige borsten liggen daar naast elkaar te deinen en naar je te lonken.
Tot twee heb je al geteld en het gaat nog verder, nog verder. Tot we weer bij het begin van ons verhaal zijn aanbeland en weer opnieuw beginnen te tellen, totdat…


We slaan de school met al zijn ergernissen maar gewoon over en zitten dan meteen tussen de computers. Die computers zijn eigenlijk rekenmachines. Heel ingewikkelde, dat wel, maar toch gewoon rekenmachines. Computers kunnen niet verder tellen dan één. Da’s gek! Overal gebruiken ze computers voor, en dan kan zo’n ding niet verder tellen dan één?
Precies! En hij kan nog niet eens lachen, of huilen. Zo’n kleine baby is dus toch tot heel wat meer in staat dan een computer. Een baby kan lachen, huilen, trappelen, spugen, drenzen. Hij kan ziek zijn, of zijn moeder pesten door steeds weer zijn eten uit te spugen. Dat kan een computer allemaal niet. Dat is een stom ding dat alleen maar tot één kan tellen.
Hij kan het alleen zo verschrikkelijk snel, dat je het niet eens merkt. 

Tegenwoordig kan een computer in een tien miljardste seconde al tot één tellen. En daardoor kun je zo’n ding dan toch gebruiken. Hoezo, toch gebruiken?
Nou, als je een plaats bekijkt waar een getal kan staan waar een computer mee overweg kan, dan kan dat een ‘nul’ zijn of een ‘één’. Twee mogelijkheden. Als je acht plaatsen neemt waarvan elke plaats een nul of een één kan zijn, heb je ineens tweehonderdzesenvijftig mogelijkheden. Acht van die plaatsen noemen ze een byte. Die bytes kun je met elkaar vergelijken, ermee rekenen. En als je heel veel van die bytes in een apart stuk geheugen zet en je geeft de waarde in zo’n byte de betekenis van een letter of een leesteken, dan kun je plotseling met woorden en zinnen manipuleren. Dan kun je dus tekstverwerken. Mooi toch? Zo is dit verhaaltje nu ook tot stand gekomen, in mijn laptop, mijn tekstverwerker. Maar ik was de baas.


Genoeg over computers. Saaie dingen zijn dat. Ik ben eens op een mooie zomeravond aan het strand op mijn rug in het zand gaan liggen. Ik keek naar de sterren. Het viel me op dat er steeds meer leken te zijn, hoe langer ik naar boven staarde. Als vanzelf ging ik ze proberen te tellen. Ik weet het, tellen is mijn fobie. En ik raak nog altijd onder bekoring als ik kan zeggen hoeveel er van iets is. Kan niet schelen wat dat dan is. Zandkorrels, lichaamscellen, zaadcellen, sterren, het maakt niet uit.
Blijkbaar bedient de natuur zich voortdurend van allerlei objecten in gigantische aantallen en ben ik veroordeeld tot het steeds maar weer proberen te tellen.
Dood en doodmoe word je ervan. Ik las een boek, duizenden jaren geleden geschreven, waarin de schrijver aangaf dat alles een eindeloze herhaling is en aan totale zinloosheid onderworpen. IJdelheid en najagen van wind heet dat zo mooi.


Lieve lezer, ik ben op het punt aangekomen om u te vragen naar de moraal van dit verhaal. Want eerlijk, ik weet het niet. Waarschijnlijk heb ik u alleen maar vermoeid terwijl ik dat helemaal niet bedoelde. Ik wilde u slechts vermaken. Maar of dat gelukt is…
Het oordeel is aan u.


Jan van der Haven

Geen opmerkingen: