dinsdag 31 maart 2015

Rudy's wereld - Mannetjes

 
Het is een veel voorkomende vraag die aan een auteur wordt gesteld, en vaak op een toon die suggereert dat de lezer niets minder verwacht dan een verrassend, alles onthullend, spectaculair antwoord. Iets dat 'Aha! Nù begrijp ik het!' ontlokt. Een eeuwenoud geheim, dat de auteur eigenlijk niet màg onthullen. Een soor magisch 'drankje'. Een sublieme goocheltruc.
De vraag?
'Waar haal je je inspiratie?' Of: 'Hoe kom je op ideeën?' 
Het realistische antwoord daarop verschilt uiteraard haast per definitie van schrijver tot schrijver. De een haalt het uit de krant, de ander uit de persoonlijke leefwereld, en nog een ander wordt op een spoor gezet door het lezen van een boek. Er zijn honderden mogelijkheden, die dan ook nog eens gecombineerd kunnen worden. Helemaal niet zo magisch of geheim als het wel lijkt. (Al moet ik bekennen dat ook mij soms de zin bekruipt om met iets veel diepzinniger en indrukwekkender uit te pakken, iets dat de illusie in stand houdt dat het schrijverschap een wonderbaarlijk en uniek talent is dat alleen de uitverkorenen hebben gekrégen. Soms. Afhankelijk van de omstandigheden.
 :-) )

In werkelijkheid begint voor mij alles altijd bij een ergernis. Iéts dat me mateloos irriteert. Gewoonlijk iets in de maatschappij. Iets waarvan ik niet begrijp dat het door zoveel mensen getolereerd wordt, dat mensen gewoon niet lijken te zien. Of niet willen zien. Tijdens wandelingen leidt die ergernis dan vaak tot een monoloog tegen een fictieve verantwoordelijke, soms behoorlijk opgewonden en kwaad, waaruit dan plots een idee voor een roman tevoorschijn komt. Natuurlijk gebeurt dit spontaan. Je zou uiteraard elke dag kunnen beginnen met een half uurtje razen tegen de waanzin van de dag, in de hoop dat je vroeg of laat op een idee voor een roman stuit, maar zo werkt het natuurlijk niet. Het gebeurt niet zo vaak, maar wel spontaan. 
Alleen... Het bezorgt me ook niet meer dan een algemeen idee. Een richting, een context, een basisconcept zo je wil, een schaduw van een idee, maar niet meer dan dat. 
Vanaf dan is het werken. Ideeën zoéken.
Maar hoe doe je dàt dan? 
Samengevat? Ik brainstorm dagelijks met de mannetjes in mijn hoofd.
Oké, ik besef ook wel dat het een beetje vreemd klinkt. 
Mannetjes in je hoofd? Misschien eens een dokter raadplegen, Rudy? 

Hm... Het idee is helemaal niet nieuw, hoor, integendeel. Ik heb het gevonden in Misery, de roman van Stephen King. In dat boek beschrijft het hoofdpersonage, een schrijver, op een bepaald ogenblik de mannetjes die in zijn hoofd zitten en in de achtergrond altijd met z'n volgende boek bezig zijn. Ik vond dat zo'n fascinerend beeld, dat ik het heb geadopteerd. 
Ik ben er dus beginnen van uitgaan dat er in mijn hoofd ook mannetjes (en vrouwtjes) zaten, die in mijn onderbewustzijn actief bleven, ook wanneer ik sliep of me moest concentreren op het verkeer. Voor alle duidelijkheid: niet zomaar eventjes gedàcht. Neen. In mijn onderbewustzijn zitten reële individuen, met een eigen willetje. Létterlijk.
Ik heb die mannetjes van bij het begin héél ernstig genomen. Ik heb bijvoorbeeld niet eerst getest òf ze er wel waren. Ik ben er meteen van uitgegaan dàt ze bestonden. 
En ze bestaan nog steeds.
De werkwijze is eenvoudig. Ik richt me tot hen, vaak luidop (wat tijdens wandelingen wel eens tot hilarische situaties kan leiden, vooral wanneer je andere wandelaars kruist) omschrijf het probleem waarvoor ik een oplossing zoek, en vraag me te waarschuwen als ze een voorstel hebben. Meer niet. Dan laat ik het hele probleem los. Letterlijk. Ik denk er echt niet meer over na. 
Voor niet-ingewijden lijkt het misschien ongeloofwaardig, maar na maximum twee dagen - en vaak sneller - duiken de vriendjes in mijn bovenkamer gegarandeerd op uit het niets, met suggesties. 
Natuurlijk zijn er wel een paar belangrijke details die ik in acht moet nemen.
Ik moet er bijvoorbeeld zorgvuldig op letten dat ik hen dagelijks minstens één keer herinner aan het probleem. Meer dan hen erop wijzen dat ze het niet uit het oog mogen verliezen, is het niet, en ook dit bedoel ik letterlijk. Tijdens een maaltijd in een restaurant kan je mij dan bijvoorbeeld plots horen zeggen 'Jullie weten toch nog wat het probleem was, hé, mannekes?', tot grote verbijstering soms van mijn disgenoten. 
'Schrijvers hebben zo hun eigenaardige gewoontes,' zeg ik dan meestal. Het idee om te willen schrijven is op zich al absurd genoeg, zeker in het Nederlands taalgebied, zodat de meeste vrienden en kennissen best bereid zijn om er nog een aantal andere eigenaardigheden bij te nemen. Sommigen vragen zelfs af en toe 'of ik nog contact heb met de mannetjes'. 
En ja, hoor, uiteraard krijg ik ook al wel eens de vraag 'welke het meest productief zijn, de mannetjes of de vrouwtjes.' Die laatste vraag is niet te beantwoorden, maar meestal laat ik mijn reactie dan wel afhangen van wie de vraag stelt, en op welke toon ze wordt gesteld. Lijkt me het veiligst - tenzij het om situatie gaat waarom ik helemaal niet heb gevraagd en waaruit ik zo snel mogelijk weg wil. Dan laat ik mijn antwoord gewoonlijk òòk afhangen van wie de vraag stelt, maar in omgekeerde zin, zeg maar.
Bent u nog mee? :-)

Waar ik ook zorgvuldig moet mee omspringen is het systematisch tonen van respect voor de mannetjes en vrouwtjes. Wanneer ze bijvoorbeeld plots met een voorstel tevoorschijn komen, zul je mij nooit - en ik bedoel nòòit - tegen hen horen zeggen dat ik het een slecht idee vind. Ook niet wanneer het een onbruikbaar idee ìs. Mijn reactie is dan eerder iets in de zin van: 'Goe bezig, gasten, jullie zitten op het goede spoor, ik weet niet of ik dit specifiek element zo direct kan gebruiken, dat moet ik nog eens bekijken, maar doe in elk geval verder...'
Zeg nooit meteen: 'stom idee!' Dat wil je zelf toch ook niet horen als je een ander probeert te helpen? De mannetjes in mijn hoofd evenmin. Positief stimuleren is ook in dit geval belangrijk. Wat zeg ik? Belangrijk? Essentieel!
Natuurlijk heb ik de loop der jaren al wel eens nagedacht over het hoe en waarom hiervan. Waarom dit werkt. En als je er even bij stilstaat, dan weet je natuurlijk zelf ook wel dat het om een vorm van symboliek gaat. Iederéén kan die techniek gebruiken. Iedereen doét dat ook, alleen niet zo bewust en systematisch.
Een voorbeeldje.
Hoe vaak zit je 's avonds geen uur te piekeren over een probleem, zonder dat je het opgelost krijgt? Je kan moeilijk de slaap vatten, omdat het probleem blijft woelen in je hoofd. Je weet best dat je het zou moeten 'loslaten' - een term die we ondertussen bijna allemaal gebruiken. Wanneer je daar dan uiteindelijk in slaagt, duikt er anderhalve dag later vaak ineens, out of the blue, een oplossing op - bij voorkeur wanneer je op het toilet zit. Bovendien is die oplossing meestal ook nog eens zo voor de hand liggend, dat je je afvraagt 'hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat je daar niet eerder aan gedacht hebt!' 
Loslaten. Aan de mannetjes geven. 
Af en toe eens aan denken. De mannetjes nu en dan eens herinneren aan het probleempje.
Rustig afwachten. De oplossing komt wel. En dat doet ze ook.
Wat is het verschil? 
Eigenlijk is er geen. Of toch?
Ik gebruik de techniek bewùst. Ik wéét dat het werkt. Ik gelòòf ook rotsvast dàt het werkt - en daarin zal wel het grootste verschil zitten. Als je er van overtuigd bent dat het absolute onzin is, dan zal het ook niet werken. 
Alleen hij/zij die ervan overtuigd is dat hij/zij ooit over twee meter geraakt, kan aan een training hoogspringen beginnen. Voor de rest onder ons heeft dat gewoon geen zin. 
En zo is het eigenlijk met alles. Ook met schrijven. Als je er zelf van overtuigd bent dat je het niet kan... Dan kàn je het ook niet. 
Denk er maar eens over na. :-)

Geen opmerkingen: