zondag 1 november 2015

Boek van de maand november: Justine


Justine De Jager, 75 jaar zit in de verhoorkamer om een moord te bekennen. Niet uit schuldgevoel maar uit noodzaak: ze wil naar de gevangenis om aan het verzorgingstehuis te ontsnappen. 

Inspecteur Verbeke neemt haar getuigenis af. Verbijsterd luistert hij naar haar waanzinnig relaas waaruit blijkt dat Justine voor niets terugdeinst om haar vrijheid te behouden. Vertelt ze de waarheid of is de oude vrouw dementerende?

Fragment uit Justine 
“Wel, inspecteur Verbeke, ik zou hier niet zitten als mijn zoon me er niet toe verplichtte. Gisteren kwam hij me zoals gewoonlijk halen voor de maandelijkse familiemaaltijd. Niet dat hij zich ver hoeft te verplaatsen. Hij woont vlak boven me. Voor we naar zijn appartement gingen had hij nog een verrassing voor me, zei hij. Mijn zoon doet niet aan verrassingen, dat weet ik al lang, ik ben zijn moeder. Bovendien klonk zijn toon zo luchtig dat ik meteen achterdochtig werd. Dat was terecht, zo bleek. In plaats van de trappen op te lopen naar zijn appartement, nam hij me mee naar beneden en duwde hij me in de auto.
‘We gaan het verzorgingstehuis Immaculata bezoeken,’ zei hij. Zomaar. Zonder aankondiging. 
Schandalig, vindt u niet? Ik heb er nooit om gevraagd om naar dat tehuis te gaan. Hij duwde me in de wachtkamer van de dood. Mijn bloedeigen zoon. Alsof een bevalling van dertig uur, een totaalruptuur, twintig hechtingen en vijfenveertig jaar zorg ineens niets meer waard waren.”

Mijn vingers willen zich in mijn oren boren. Hoe die vrouw ooit is bevallen interesseert me niet. Zelfs bij de geboorte van mijn dochter ben ik op de gang blijven zitten. Mijn ex-vrouw, Iris, is alleen bevallen met een hoop vroedvrouwen rond haar. Dat vond ik prima. En wat is een totaalruptuur? Als het is wat ik denk…Laat maar. Mijn ogen knijp ik stijf toe, in de hoop dat het beeld dat mijn geestesoog teistert, verdwijnt. Denk aan iets anders. Snel. Een koe. Dat is een tip van Tanja.
‘Als je je een grazende koe inbeeldt, dan word je rustig,’ zei ze. Een zwart-wit gevlekte koe die langzaam kauwt op frisgroen gras. Dat is alvast prettiger op mijn netvlies.

“Fred bracht me dus naar Immaculata, het tehuis in Edegem, voor een rondleiding. De auto parkeerde hij vlak bij de ingang. Hij hielp me eruit, iets wat hij normaal nooit deed, terwijl binnen het personeel stond toe te kijken. De deuren van het tehuis schoven automatisch en uitnodigend uit elkaar. Dat gaf een vals gevoel van verwelkoming. Ik wist wel beter. De enige manier om te ontsnappen eens de deur je opslokte,was netjes in een lijkzak geritst. Kent u iemand die zo’n oord levend heeft verlaten?”

Ik schud mijn hoofd. Behalve de dementerenden die af en toe de weg kwijtraakten onderweg naar hun verleden, had ik inderdaad nog niemand gekend die er levend uit was gekomen.

“Achter de balie stond een vrouw van vijftig die omgebouwd was naar een dertiger. Haar voorhoofd bewoog niet wanneer ze sprak, alsof ze een masker droeg. De stof van haar fluorescerende topje spande bijna even hard als de huid van haar borsten. Er ging iets dreigends vanuit, als een vulkaan die op uitbarsten stond. Dat ze haar lichaam had laten verbouwen, vond ik verknipt. In een tehuis waar de gemiddelde leeftijd ongeveer 95 was, zou ze er met haar vijftig levensjaren sowieso altijd jong uitzien.
‘Komen jullie voor de rondleiding?’ vroeg de Vulkaan. Ze richtte zich voornamelijk tot Fred, alsof ik al in de lijkzak lag. Dat ergerde me.

Weet u wat de Vulkaan nog vroeg? Of ik misschien een rolstoel wilde, want de wandeling duurde wel even. Ik ben vijfenzeventig en tot nader order volledig gezond. Ik heb nog al mijn tanden, weet u.”

Ik knik om te bevestigen dat de tanden die ze met haar nagel aantikt wel degelijk als ‘echt’ worden geattesteerd. Het is nog niet duidelijk wat er aan de hand is, maar soms hebben mensen een aanloopje nodig om tot de essentie te komen. Anderen komen er nooit toe. Volgens de commissaris komt dat vanzelf
indien we geduld, tact en empathie gebruiken als instrumenten. Ik zal hem eens tonen hoeveel geduld ik kan opbrengen. Als het moet, dan leid ik dit verhoor tot mijn tanden vanzelf uitvallen.

“De Vulkaan wandelde voor ons. Fred omklemde mijn arm, dat deed hij anders nooit. Ik vroeg mij af of hij me wilde beletten om geheel zelfstandig te lopen. Het werd een walgelijke vertoning. De cafetaria, met grijze vloeren en witte muren, leek voornamelijk ingericht om mensen letterlijk dood te vervelen. Om de schijn hoog te houden, parkeerde de interieurontwerper een vleugelpiano in een hoek. Alsof het leven daar één gezellige thé dansant was. Daarna liepen we naar ‘de living’, zoals de Vulkaan het noemde. Het eerste wat opviel was de flauwe geur van gekookte bloemkool.
In het midden van de kamer stond een lange tafel waaraan een groepje bejaarden gezellig zat te breien. Aan de hoek zat een vrouw in een rolstoel. Zij handwerkte niet, maar leek diep in gedachten verzonken. Een sliert kwijl droop over haar kin, op haar fleurige, synthetische blouse. Als ze een kat was geweest, had ik haar laten inslapen. Ik klemde me stevig vast aan Freds arm, alsof hij een reddingsboei was in plaats van een zinkend blok beton. 

Mijn geestelijke gezondheid zou onvermijdelijk aftakelen als ik daar bleef. Binnen de kortste keren ging ik ook mutsen voor mijn kleinkinderen haken en ik had niet eens kleinkinderen. Eender welke plek op aarde was beter dan daar, gelooft u me, inspecteur. 
Toen besefte ik dat ik plan B moest uitvoeren.”

Geen opmerkingen: