donderdag 10 december 2015

Bookflash...........Vera Lundi


Het begin van dit verhaal is gebaseerd op een ware gebeurtenis. In juni 1997 is een politieman om het leven gekomen, toen hij een inbraak probeerde te verijdelen. 

A cursed boy, so little 
Condemned to live in hell 
Not even his father could love him 
This thing, this empty shell 
With a soul, so sick and evil 
This being, alone in life 
A mistake, oh how I hate you 
This boy, not to be alive 
This thing, so sick and evil 
Be gone, boy. Just die 

(Onbekende auteur)

Waarom huil ik niet? Waarom voel ik geen verdriet? Waarom voel ik alleen die allesoverheersende haat voor een jongen die op zestienjarige leeftijd mijn leven verwoestte?

Proloog 

Dit is het dan. Met gebogen hoofd loopt Patrick van Vliet met naast zich zijn advocaat door de zijdeur van het gerechtsgebouw. Het vonnis is uitgesproken, er is geen weg terug. Bij het verlaten van de rechtszaal dacht hij even een glimp van zijn moeder op te vangen. Hij weet het niet zeker. Toen hij voor de tweede keer keek, was ze verdwenen. Een op het oog onopvallend donkergrijs busje staat met open achterdeuren voor hem klaar. De aanblik van het dikke, kogelvrije glas achter het bestuurdersgedeelte en de van ijzeren tralies voorziene ruiten aan de zijkanten van de auto laten tranen in zijn ogen springen. Patrick slikt maar kan niet voorkomen dat een traan uit zijn ooghoek ontsnapt. De boeien om zijn polsen beletten hem om het verraderlijke vocht weg te vegen. Hij wil niet huilen, zeker niet in het bijzijn van anderen. Net voordat Patrick zijn voet op het opstapje zet, zegt zijn advocaat: ‘Hou je taai, hè.’ Patrick draait zich niet om, maar knikt bijna onmerkbaar. Hij bukt en stapt het busje in. De stalen bank is hard, smal en koud. Hij laat een ogenblik zijn hoofd rusten tegen de tralies. Door de nog geopende deur ziet hij dat de advocaat een dunne map aan de chauffeur overhandigt. ‘Nummer KPH8635, Van Vliet.’ De chauffeur die een jas draagt met het logo van de inrichting waar Patrick naartoe gaat, bladert er vluchtig doorheen. Voor de man is hij de zoveelste jeugddelinquent. De man werpt een korte blik naar binnen. Met het sluiten en vergrendelen van de deur is Patrick zijn vrijheid kwijt en gaat hij op weg naar het beangstigende onbekende. 

Bang en onzeker laat Patrick zich meevoeren het gebouw in. Als eerste staat hem een gesprek met de directeur te wachten. Zenuwen snoeren zijn keel dicht en bemoeilijken hem het slikken. In gedachten verwacht hij een norse man die hem streng 7 en onrechtvaardig behandelt. Net als zijn stiefvader, maar dan vele malen erger. De muren van de gangen waar Patrick doorheen loopt zijn kaal en voetstappen op de betonnen vloer klinken hol. Hoe dieper hij in het gebouw komt, hoe meer deuren er achter hem gesloten worden. Hij wrijft over zijn polsen die van de boeien zijn verlost. Een druppel bloed welt op uit een kleine schaafwond. De nadrukkelijke stilte die in het gebouw heerst bevreemdt hem. Andere jongens heeft hij nog niet gezien. ‘Neem plaats, ik ben zo klaar.’ Trillend laat Patrick zich op het puntje van de stoel zakken. Zijn ogen houdt hij strak gericht op de punten van de nieuwe Nikes. De laatste schoenen die zijn moeder voor hem heeft gekocht. Nee, zelfs dat is niet helemaal waar. De schoenen heeft ze gekocht met het geld dat zijn stiefvader verdient. Patrick gluurt tussen zijn wimpers door naar de man die voor hem zit en is verrast. De directeur is veel jonger dan hij zich had voorgesteld en ziet er ook niet streng of chagrijnig uit. ‘Goed, Van Vliet.’ Patrick schrikt op. ‘De komende tijd maak je dus gebruik van onze gastvrijheid. Ik zal je maar meteen duidelijk maken dat we hier regels hebben. We tolereren geen geweld, ook niet verbaal. Vechten wordt bestraft. Je bent, even kijken, net zestien geworden. Niet bepaald een goede zet om zo met je jeugd om te gaan. Wat we hier doen is opvoeden en begeleiden. Je gaat iedere dag naar school, je hebt een dag in de week corvee en in je vrije tijd kun je naar de bibliotheek of kun je televisie kijken in de gemeenschappelijke ruimte. Als je je weet te gedragen kun je gaan sporten. Het systeem is simpel. Bij goed gedrag krijg je privileges, zo niet dan ga je hier een zware tijd tegemoet. Zo meteen komt er iemand die je naar je kamer brengt. Daar ligt ook je kleding klaar die hier gedragen wordt. Ik verwacht dat je iedere dag om zeven uur ’s morgens onder de douche staat. Je kunt nu nog voor het eten gaan douchen omdat je net aan- 8 gekomen bent. Uiterlijk half acht ben je in je kamer en om tien uur gaat het licht uit. Nog vragen?’ ‘Nee,’ antwoordt Patrick timide. Het heeft geen zin om nog iets te zeggen. Niemand gelooft in zijn onschuld, zijn eigen moeder niet eens. De advocaat en de rechter ook niet. ‘Dan kun je nu met Klaas mee. Hij is de leider van de groep waar je naartoe gaat. Wees gehoorzaam en je zult merken dat het hier zo slecht nog niet is.’ 

Ongenaakbaar bekijkt Klaas hem als Patrick zijn kleren van zich af laat vallen en hij onder het lauwe straaltje water van de douche stapt. Zijn lichaam is mager, slungelig, zonder enige vorm. Hij was al niet dik maar de maanden die hij in voorarrest heeft gezeten en de daaropvolgende rechtszittingen, hebben zijn eetlust flink bedorven. Hij heeft de pech dat hij laat in de middag is aangekomen. Alleen douchen mag volgens Klaas niet, dus aan de ogen die zijn naakte lichaam verkennen, ontkomt hij niet. Preuts is hij niet, douchen met de jongens na het sporten vond hij nooit een probleem. Dit is anders. Hij staat alleen in de grote ruimte, geen gelach om zich heen, geen grappen die over en weer gaan. Hij voelt zich bekeken. Hij bukt zich om het stuk zeep te pakken dat op de grond ligt. Het is smerig en plakkerig. Het ruikt naar de ouderwetse stukken groene zeep waar zijn oma altijd mee schoonmaakte. Hij moet opschieten. Hij zet de afkeer van zich af en begint zich in te zepen. Patrick heeft net de laatste zeepresten afgespoeld als de douche met een droge klik stopt. Hij pakt de ruwe, grauw gewassen handdoek en slaat die om zich heen. Op de houten bank langs de kant ligt zijn ondergoed en de verplichte kleding die hij de komende twee jaar zal moeten dragen. Hij loopt ernaartoe, zich onderwijl verder afdrogend. Hij reikt naar de onderbroek die hem op het eerste gezicht te groot lijkt. Voordat hij het ondergoed kan pakken voelt hij zijn pols gevangen worden in een ijzeren greep. Zijn arm wordt op zijn rug gedraaid en automatisch bukt hij zich om de pijn te verlichten. 9 ‘Geen woord,’ sist de hese stem dicht bij zijn oor. Angst kruipt genadeloos omhoog om in zijn keel te blijven steken. Dit kan niet, mag niet, schiet er door zijn hoofd. Een ruwe, eeltige hand strijkt langs zijn kont en grijpt hem bij zijn ballen. Een kreun ontsnapt en meteen wenste hij dat hij geen geluid had gemaakt. ‘Lekker?’ Patrick schudt verwoed met zijn hoofd. ‘Het doet zeer,’ fluistert hij gesmoord. ‘Ach, jochie toch. Zeg op: hoe vaak heb je het al gedaan?’ De hand knijpt harder en beneemt hem de adem. ‘Nog nooit.’ Tranen rollen over zijn wangen. ‘Een maagd… die zijn het lekkerst.’ 

Bloed vermengt zich met het water dat op de vloer is achtergebleven. Hij is alleen met de helse pijn die door zijn onderlijf raast. ‘Nu ben je van mij,’ is het laatste dat hij hoort, voordat hij als een hoop vuil op de natte vloer wordt achtergelaten. Kreunend trekt hij zich op aan de houten bank tot zijn knieën houvast vinden op de grond. Zijn hoofd laat hij een moment rusten op het verweerde hout. Hij ziet de teksten die in de bank zijn gekerfd. Ze laten niets meer aan de verbeelding over. Voorzichtig zet hij een voet op de grond, de tweede ernaast en hij probeert te gaan staan. Er komt niemand bij hem kijken. Geen mens die hem helpt. Met trillende handen pakt hij het zwarte T-shirt en trekt het over zijn hoofd. Staande trekt hij onhandig de onderbroek en de spijkerbroek aan. Hij durft voor geen goud te gaan zitten. Met kleine stappen verlaat hij de doucheruimte. Een bewaker die bij de douche rondhangt, wendt zijn hoofd af als hij met slepende passen langs hem loopt. ‘Schiet een beetje op,’ roept de bewaker hem na. ‘Over tien minuten moet je eten.’ 10 In de kale kamer staat alleen een bed, een bureau en een stoel. Achter een muurtje van een meter hoog is zijn wc. Misselijk buigt Patrick zich over de stalen pot en geeft alles over wat hij in zijn lijf heeft zitten. Daarna laat hij zich voorzichtig op het bed zakken, gaat liggen en kijkt met betraande ogen naar het plafond. Nog zevenhonderdnegenentwintig lange dagen te gaan.

Geen opmerkingen: