donderdag 4 februari 2016

Bookflash Oog om oog - Buddy Tegenbosch

In februari is Boek van de maand de YA van Buddy Tegenbosch: Oog om oog.
Hilde las het boek en was zwaar onder de indruk, hier haar recensie. Nieuwsgierig geworden? Buddy geeft je hieronder een fragment uit het boek te lezen. Binnenkort volgt het interview mét winactie!

Voorafgaand: JJ is aan het werk in de grootste club van de stad, de Underground, die gerund wordt door Antoine, een grote gespierde homo en de vriend van JJ's excentrieke huisgenoot Scrabble. JJ staat achter de bar en dit hoofdstuk begint als JJ tot zijn grote schrik een jongen heeft herkent in de club. De jongen die hij heeft herkent is Ivar. Ivar heeft JJ's leven op de basisschool tot een hel gemaakt. Van schrik vlucht JJ naar buiten. Bij de achterdeur van de Underground staat hij bij te komen.

02.22 uur.
Ik sta bij de achterdeur van de Underground. Hijgend staar ik naar de stoeptegels. Handen op mijn knieën.
Beelden dringen zich aan me op.
Schoolplein. Met mijn rug tegen het fietsenhok. Mijn wang die in brand lijkt te staan.
Ik recht mijn rug. Het miezert. Aan de overkant van de straat komt een auto aangereden. Ik dwing mezelf hem te bekijken, ik moet in het heden blijven. Het is een verlaagde Opel, donkerblauw, zo te zien. Hij wijkt uit en rijdt door een diepe plas. Het water spat hoog op.
Het veld naast de Kleine Ee. ‘Ach gut, kijk nou. Japie heeft wél een vriendje.’ Een plons. Gejank. De klauwende pootjes van Peper die in paniek de veel te steile kant probeert op te klimmen.
Ik schud mijn hoofd om het beeld kwijt te raken. De beweging voelt onaangenaam. Het lijkt of mijn hersenen los zitten, als vla in een kom.
De Opel stopt voor de kruising. Drie rode lampen lichten op in de regen.
In het gras naast de provinciale weg. Mijn rechterbeen nog onder mijn fiets. Het grijnzende gezicht vlak boven me. De klodder in mijn oog.
Wat doet hij in de Underground? Zit hij soms ook op kamers? Hij stond erbij alsof hij hier al jaren komt, een voet op de steun van de barkruk, rechte schouders, zelfverzekerde blik.
Ik laat me langs de muur op de stoep zakken. Ik ril. Het moet koud zijn. Ik heb het niet koud.
De Opel is verdwenen. In een plas zie ik de trillende weerspiegeling van de lantaarnpaal aan de overkant. Wanneer een auto passeert wordt het beeld verstoord, maar het herstelt zich verrassend snel.
In het stroboscopische licht was zijn gezicht duidelijk te zien. Ogen die te dicht bij elkaar staan, drie-dagen-baardje, het dunne lijntje vanaf zijn linkeroog recht naar beneden over zijn wang.
Ik leg mijn hoofd in mijn nek en laat de regen op mijn gezicht vallen. Koele druppels op mijn oogleden.

‘Aha, hier ben je!’ De hoge stem doet me opschrikken.
‘Mijn god, J-J, je bent kletsnat. Waarom zit je…’
Antoine stopt midden in de zin. Hij staart naar de stoep een meter of wat voor me. De bruine vlek is door de regen vager geworden, maar nog steeds duidelijk zichtbaar.
‘Het gaat wel weer,’ zeg ik, mijn keel brandt. ‘Vast iets verkeerds gegeten.’ Moeizaam kom ik overeind. Slappe benen. Ze doen me denken aan vakanties van lang geleden, aan veel te lange autoritten over veel te bochtige wegen.
Antoine kijkt me onderzoekend aan. ‘Wat is er? Het lijkt wel of je geesten gezien hebt.’
Hij zit er niet eens zo ver naast. ‘Ik…’ Even overweeg ik om Antoine alles te vertellen. Om de zinnen die ik de hele avond geoefend heb, er in één keer uit te gooien. ‘Ik voelde me gewoon niet zo lekker,’ mompel ik.
‘Kom, we gaan naar binnen. Je bent drijfnat.’ Antoine pakt me bij mijn schouder.
‘Nee, nee, laat me maar even.’ Ik schud zijn hand van me af. Mijn shirt plakt aan mijn lichaam.
Antoine kijkt me bezorgd aan. ‘Wacht.’ Hij verdwijnt weer naar binnen. Even later komt hij terug met een handdoek, een droog shirt en een trui. ‘Trek aan,’ zegt hij. ‘Ik vind het prima als je kou wil vatten, maar niet onder werktijd.’
Ik pel het natte shirt van mijn lichaam, droog me af en trek de droge kleren aan. Het shirt is mijn maat, maar de sweater moet van Antoine zijn, hij komt tot mijn knieën. ‘Bedankt,’ zeg ik.
‘Je mag hem houden.’ Antoine zegt het zonder een spier te vertrekken. ‘En nu moet je me eens vertellen wat er in hemelsnaam aan de hand is. Ik begrijp dat Liza je het hoofd op hol brengt, en ik begrijp ook dat jullie een akkefietje hebben gehad, maar dat betekent toch niet dat je de nacht in de regen moet doorbrengen?’
Ik schud mijn hoofd. Niet als antwoord, maar omdat ik niets wil zeggen. Er is maar één iemand met wie ik wil praten en dat is niet Antoine.
Verderop in de straat stopt een taxi. Het groepje mensen dat naast de auto staat, trekt mijn aandacht. Ze lijken afscheid van elkaar te nemen.
‘Zullen we naar binnen gaan?’ vraagt Antoine.
Bij het groepje staat een jongen. Hij is niet groot, maar dat compenseert hij met zijn kaarsrechte houding. Hij heeft kort zwart haar en draagt een lange jas. Hij steekt een hand op naar de anderen, trekt het portier open, en stapt in.
Alleen.
Ik denk niet na, maar sprint naar een taxi die aan de overkant geparkeerd staat.
‘Wat ga je doen?’ gilt Antoine.
‘Sorry,’ roep ik. ‘Ik moet gaan, maar ik maak het goed met je. Beloofd!’
‘Je kunt niet blijven wegrennen, J-J!’
Hij moest eens weten. Ik ren niet weg. Ik ga recht op mijn doel af.
Ik stap in en zeg tegen de chauffeur een zin die ik alleen ken uit films: ‘Volg die taxi.’
Via de binnenspiegel kijkt hij me nieuwsgierig aan. Hij heeft een brede, zwarte snor en vriendelijke ogen. ‘Vriendinnetje?’ bromt hij met een buitenlands accent en hij start de motor.
‘Kunt u gaan rijden, alstublieft? Nog even en dan zijn we ze kwijt.’
‘Ruzie, hè.’ De man prutst aan zijn taximeter.
‘Zoiets, ja,’ antwoord ik, terwijl ik in mijn zakken voel. Ik vind twee kletsnatte briefjes van twintig en wapper ermee voor zijn neus. ‘En nu rijden!’
‘Aha, mooi vriendinnetje!’ De man geeft gas.
Ik zit op het puntje van de achterbank. De straten zijn leeg en we hebben de taxi alweer snel in zicht. De lak van de zwarte Mercedes glinstert in de regen. Ik ben klaarwakker. De misselijkheid is weg. Zou hij me ook hebben herkend als hij de kans had gekregen? Opeens krijg ik een akelige gedachte. Misschien heeft hij me wel gezien. Nee, dat had ik aan hem moeten merken. Maar ik wist wel meteen wie hij was, dus waarom zou dat andersom ook niet zo kunnen zijn? Het antwoord op deze vraag is simpel: hij staat in mijn geheugen gegrift. Ik weet zeker dat ik hem over vijftig jaar nog steeds zou herkennen. Die houding, die manier van lopen, die blik in zijn ogen… dat vergeet ik nooit meer.
Mijn natte broek plakt aan de leren bekleding als we een bocht nemen.
Opeens besef ik dat de rollen zijn omgedraaid, de tijden zijn veranderd. Ik sta niet meer te wachten bij de uitgang van de basisschool totdat iedereen vertrokken is. Nee, vanaf nu bepaal ik wat er gaat gebeuren. Ik heb de touwtjes in handen en ik ben niet van plan ze ooit nog los te laten.
Weer zie ik beelden van vroeger voor me en ik voel een enorme woede opkomen. Een woede die ik niet ken van mezelf. Een woede die een naam heeft, of eigenlijk meerdere namen. Fabian. Diesel. Stijn… Vero.
Ik open mijn handen die ik tot vuisten gebald had. Ze trillen niet meer.
We minderen vaart. De Mercedes rijdt vlak voor ons. Ik kijk naar buiten en probeer me te oriënteren. Ik ken de omgeving. Het is een buurt waar veel studenten wonen.
De Mercedes is tot stilstand gekomen.
‘En nu?’ vraagt de chauffeur.
‘Kunt u even hier wachten?’
Hij wijst naar een verkeersbord. ‘Niet parkeren.’
Voor de tweede keer zoek ik mijn zakken na. Ik vind nog een briefje van twintig, eentje van vijf en wat kleingeld. ‘Zie je dit?’ zeg ik. ‘Dat betekent dat we hier blijven staan.’ Ik heb geen tijd verbaasd te zijn over mezelf, want het portier van de Mercedes gaat open.
Ivar stapt uit.
Ik schuif nog verder naar voren. De chauffeur praat tegen me, ik luister niet.
Ivar zet de kraag van zijn jas omhoog, kijkt naar links en rechts, en steekt de straat over.
Ik zou hem van honderd meter afstand nog herkend hebben. Hij loopt op een huis af, zoekt in zijn jaszak, opent de voordeur en gaat naar binnen.
Ik weet waar hij woont.
Eén-nul voor mij.
Deze keer gaat alles anders.

Wil je dit boek winnen? Kijk dan hier.

Geen opmerkingen: