zondag 7 februari 2016

Miles - Jeroen Guliker






Music was my first love,
and it will be my last,
music of the future
and music of the past.


En zo is het. Ik was tien jaar oud toen John Miles zijn chef-d’oeuvre schreef. Mijn kennis van het Engels stelde niet veel voor, maar ik begreep precies waar hij over zong. Ik kon het gewoon voelen en in al mijn kinderlijke onschuld was ik ervan overtuigd dat ik later als ik groot was net zo’n meesterwerk als Miles zou schrijven.
Helaas ontdekte ik al snel dat tussen willen en kunnen vaak een kloof dieper dan de Grand Canyon zit. Ik bleek totaal niet muzikaal te zijn, ik kon niet zingen, geen noten lezen, en instrumenten klonken al vals als ik er alleen maar naar wees. Omdat ik ook nog eens het ritmegevoel van een eenbenige klompendanser met parkinson bleek te hebben, stierf mijn geambieerde carrière als muzikant een vroege dood.
Het deed even pijn toen ik besefte dat ik nooit zelf zou componeren en dat muziek voor mij altijd een passieve en onbeantwoorde liefde zou blijven, maar ik accepteerde dat het nooit iets kon worden tussen ons. Met muziek dien je respectvol om te gaan, net als met vrouwen, die verkracht je ook niet als de liefde slechts van één kant blijkt te komen.
            
Muziek en vrouwen, ze kunnen beiden vals zijn of mateloos op je zenuwen werken. Soms zijn ze veel te dominant aanwezig en overstemmen ze alles en iedereen, maar je kunt natuurlijk ook gewoon van ze houden en van ze genieten. De belangrijkste overeenkomst blijft echter dat ze beiden graag willen dat je naar ze luistert, en dat is precies wat ik ben gaan doen, luisteren, al sinds 1975 – naar muziek dan, hè, maar dat had je vast al begrepen.
Ik ben altijd jaloers geweest op mijn beste vriend. Niet omdat hij bijna twee meter lang is en een goeie kop heeft, maar puur en alleen om het eerste singeltje dat hij kocht. Ik ga niet roepen dat hij vroeger al een goede muzieksmaak had, dat weet ik eerlijk gezegd niet, maar het is natuurlijk niet verkeerd om als tienjarig kereltje te kiezen voor ‘Bohemian Rhapsody’ van Queen als je eerste singeltje.
Tja, het eerste singeltje dat je koopt vertelt eigenlijk alles, en daarom kwam ik thuis met het enorm verheffende ‘You and Me’ van Albert West, een vergeten pareltje uit de Nederlandse popgeschiedenis. Ernstig? Inderdaad, behoorlijk, maar het kan nóg erger, want een paar weken later klom ik op mijn fiets en reed ik naar de platenzaak van Coen Alta voor de aanschaf van mijn allereerste lp. Ik kende meneer Alta omdat hij wekelijks onze buurt terroriseerde met de hemeltergende klanken uit zijn ouderwetse draaiorgel. Hij had een streng gezicht, was grijzend en moest wel honderd jaar oud zijn. We schrijven de zomer van 1975 en inmiddels weet ik dat Coen Alta destijds pas vierenvijftig jaar oud was, want hij overleed in 2012 op eenennegentigjarige leeftijd. Maar goed, voor een kind van tien is iedereen boven de veertig nu eenmaal stokoud. Ik was als de dood voor meneer Alta en gooide voor geen goud een kwartje in de koperen centenbak van die zilvergrijze orgeldraaier. Daarnaast was hij in mijn ogen al rijk genoeg; ik wist immers hoeveel platen hij bezat. Maar omdat ik sinds Albert West verliefd was op muziek besefte ik ook dat ik hem niet kon blijven ontlopen. Als ik wilde horen wat mijn liefde te vertellen had, moest ik eerst langs de Petrus van de platenhemel en aldus geschiedde.
Het rook muffig in de winkel aan de Rijksstraatweg in Haarlem-Noord. Misschien kwam dat door het hoogpolige tapijt, misschien was het gewoon de geur van oude mensen, ik wist het niet. Ik stond op mijn tenen en doorzocht aandachtig de langspeelplaten die in houten bakken op een nieuwe eigenaar stonden te wachten toen de schatbewaarder van het platenparadijs op mijn schouder tikte en me zijn nieuwste aanwinst toonde. De hoes was geel met paarse randen en in het midden prijkte een foto van Teach-In. Volgens meneer Alta was het een geweldige lp. Ik durfde het oordeel van de strenge orgeldraaier niet in twijfel te trekken en knikte gedwee. Ik betaalde veertien gulden en liep zo snel als ik kon met mijn nieuwe liefde de winkel uit.
Eenmaal thuis inspecteerde ik de hoes nog eens goed. Teach-In Festival, luidde de titel van mijn eerste lp, en om het allemaal nog erger te maken stond er met koeienletters onder: Story presenteert – inderdaad, de Story, het roddelblad. Een speciale uitgave dus, dat dan weer wel. Ik heb de langspeelplaat wekenlang grijsgedraaid, bijna net zo grijs als meneer Alta zelf. Hij had gelijk. Teach-In Festival was een geweldige lp, vond ik, toen, voor heel even.


Dat smaken verschillen weten we allemaal, maar godzijdank kun je ook van smaak veranderen. Wat dat betreft vertonen spruitjes en witlof in mijn geval een grotere gelijkenis met muziek dan vrouwen. Ik val immers nog steeds op dezelfde blonde vrouwen als vroeger toen ik nog spruitjes en witlof lustte, groenten waar ik nu net zo van gruwel als de bedenkelijke muzieksmaak die meneer Alta en ik er destijds op na hielden.
Uiteindelijk is het allemaal goed gekomen, want in de platenkast van mijn ouders ontdekte ik al snel de klassiekers van Chet Baker, Charlie Parker en die andere Miles. Ik heb het vinyl van Kind of Blue en de soundtrack van Ascenseur pour l’échafaud misschien wel duizend keer afgespeeld en het verveelde nooit. Nog steeds niet, want ik luister nog regelmatig naar mijn oude liefdes. Helaas niet meer op vinyl, maar op cd of mp3 zijn ze ook goed te doen.
Hoe mooi zou het zijn geweest als mijn eerste singeltje was ontsproten aan het brein van Miles Davis of John Miles? Om het even welke van de twee, maar Miles had een stuk interessanter op mijn cv gestaan dan Albert West (may he rest in peace). Denk dus goed na, tienjarige kinderen van Nederland, want de keus van je eerste singeltje kun je nooit meer veranderen.
Ach, waar ben ik nou eigenlijk mee bezig? Laat ik stoppen met al dat nostalgische geleuter. De tienjarigen van tegenwoordig hebben immers geen idee waar ik het over heb. ‘Singeltjes? Wat zijn dat, opa?’


Jeroen Guliker © 2016 

Geen opmerkingen: