donderdag 14 april 2016

Bookflash 'Twintig regels liefde' - Rowan Coleman


Lieve Len,

Nou, als je dit leest, is het gebeurd. Ik moet er misschien maar blij om zijn, en jij ook. We hebben het allebei al heel lang zien aankomen, en ik heb gemerkt dat je het er erg zwaar mee had, ook al probeerde je het nog zo te verbergen. Goed, de polis van de levensverzekering ligt in de slaapkamer, in de schoenendoos boven op de klerenkast, onder die hoed die ik voor de bruiloft van Dominic op had, weet je nog? Die met de sluier, waarmee jij me er als een femme fatale uit vond zien? Misschien weet je het niet meer; je had te veel bier op, en vier vrienden van Dominic moesten je naar boven dragen, stomme sukkel. Het zal niet veel zijn, maar in elk geval genoeg voor de begrafenis. Ik heb geen speciale wensen. Jij kent me beter dan wie ook. Ik vertrouw erop dat je het doet zoals ik het gewild zou hebben.

De wasmachine. Dat is eigenlijk heel eenvoudig: je draait de ronde knop met de klok mee naar de temperatuur waarop je wilt wassen, maar doe alles maar gewoon op veertig graden. Dat is meestal wel goed. En je doet het vloeibare wasmiddel in het plastic ding in de trommel, niet in de lade. Ik begrijp eigenlijk niet waarom ze die lades nog maken.
Je moet eten – en geen dingen die je in de magnetron kunt opwarmen. Beloof me dat je minimaal één keer per week verse groente eet. Jij verzorgde op zondag altijd het eten – een tosti met witte bonen in tomatensaus – dus als je er een beetje moeite voor doet lukt het je vast wel om op de been te blijven. Ik denk dat er in het begin een heleboel mensen eten zullen komen brengen, maar je moet wel een kookboek hebben. Volgens mij ligt er een boek van Delia onder het bed. Dat heb ik afgelopen jaar met kerst van Susan gekregen. Die durft, dacht ik toen nog.
Len, weet je nog de avond toen we elkaar ontmoet hebben? Weet je nog dat je met me de dansvloer op ging? Je zei geen woord, je vroeg helemaal niks aan me, rotzak. Je pakte gewoon mijn hand en trok me mee. O, wat hebben we rondgezwierd en gelachen. Alles om me heen werd een waas. En toen het nummer was afgelopen, kuste je me. Je had nog steeds geen woord tegen me gezegd, en je kuste me vurig. Het eerste wat je tegen me zei was: ‘Vertel maar even hoe je heet, want jij bent de vrouw met wie ik ga trouwen.’ Lefgozer, dacht ik, maar je had wel gelijk.
Het is een mooi leven geweest, Len, vol liefde en geluk. Net zoveel als verdriet en slechte tijden – meer zelfs – als je er goed over nadenkt, en ik heb de laatste tijd veel tijd gehad om daarover na te denken. Meer kan een mens niet vragen. Niet ophouden omdat ik ermee opgehouden ben, hoor. Doorgaan, Len. Blijf dansen, dansen met onze kleinkinderen. Doe het voor mij. Maak ze aan het lachen, verwen ze maar zoveel je kunt.
En als je aan me denkt, denk dan niet aan hoe ik deze laatste paar dagen ben geweest; denk aan me zoals ik in jouw armen rondzwierde, lachte en danste.
Zo moet je aan me denken, altijd.

Je liefhebbende vrouw, Dorothy


Proloog

Stella

Hij was hardloper. Dat was het eerste wat ik van Vincent wist. In een hete julimaand, vier jaar geleden, rende hij me elke dag in alle vroegte voorbij terwijl ik naar mijn werk liep, bijna drie weken achter elkaar. Die zomer had ik besloten om voor zevenen op te staan zodat ik op weg naar mijn werk in het ziekenhuis kon genieten van de relatieve rust van een vroege ochtend in Noord-Londen. Ik was in die tijd traumaverpleegkundige, en de bijna roerloze straten en de stille wegen hadden iets waardoor ik net een beetje ruimte kreeg om uit te ademen, voordat ik acht uur lang mijn adem moest inhouden. Dus liep ik naar mijn werk, nou ja, het was meer slenteren, ik schopte lege koffiebekers opzij, flirtte met straatvegers en bracht een beker sterke thee aan de dakloze man die altijd tegen het hek van het park aan gedrukt zat, bezig met zijn roman die nooit af kwam. Het was mijn rustmoment, mijn respijt.
Elke ochtend passeerde Vincent me in volle vaart op bijna precies hetzelfde tijdstip, alsof hij voor een onzichtbare vijand op de vlucht was. Ik ving een glimp op van een waterfles, kort geknipt donker haar, een gebruinde huid, mooie benen – lang en gespierd. Elke dag, op bijna precies hetzelfde tijdstip, bijna drie weken lang. Hij vloog voorbij, en dan dacht ik ‘dat is die hardloper’, en dan was er weer een vast punt op mijn route afgevinkt. Die voorspelbaarheid vond ik prettig. De flirtende straatveger, de beker thee, de hardloper. Net alsof je je favoriete nummer niet uit je hoofd krijgt.
Maar op een ochtend ging hij iets langzamer lopen, heel even maar, en draaide hij zijn hoofd om. Gedurende een fractie van een seconde keek ik in zijn ogen – echt knalblauw, alsof ik in twee spiegels de hemel zag. En toen vloog hij weer door, maar het was al te laat: mijn vaste routine was verstoord, en mijn gemoedsrust ook. De hele dag lang, terwijl ik bezig was met een levensgevaarlijk gewond slachtoffer of in de stilte van de kleedkamer, zag ik telkens die ogen voor me. En elke keer bezorgden ze me vlinders in mijn buik.
De volgende ochtend wachtte ik tot hij me weer in volle vaart zou passeren, zodat alles weer bij het oude zou zijn. Maar hij stopte heel abrupt, een meter voor me, en boog zich toen even met zijn handen op zijn knieën voorover om op adem te komen. Ik aarzelde, deed een stap opzij en besloot door te lopen. ‘Wacht... alsjeblieft.’ Hij haalde tussendoor adem en stak een hand op, waardoor ik bleef staan. ‘Ik was niet van plan te stoppen, maar toen ik dacht ik, kan mij het ook schelen, dus toen ben ik gestopt.’
‘Oké,’ zei ik.
‘Ik dacht dat je misschien wel koffie met me zou willen drinken.’ Hij glimlachte – een en al charme; een glimlach die eraan gewend is zijn zin te krijgen.
‘O ja?’ zei ik. ‘Hoezo?’
‘Nou ja, ik hoopte het meer, eigenlijk,’ zei hij, en de glimlach haperde een beetje. ‘Ik heet Vincent. Vincent Carey. Ik ben militair, bij de Coldstream Guards. Ik ben met verlof; ik ga binnenkort weer terug naar de woestijn. En je weet maar nooit, toch? Dus ik dacht... nou ja, je hebt mooi haar – al die krullen over je rug. En ogen als amber.’
Hij had gezien wat voor ogen ik had – misschien wel in dezelfde seconde dat ik gezien had wat voor ogen híj had.
‘Ik ben heel lui,’ zei ik. ‘Ik ga nooit snel ergens naartoe.’
‘Is dat een vreemde manier om te zeggen dat je geen koffie met me wilt drinken?’ Ik vond zijn frons net zo leuk als zijn glimlach.
‘Het is een waarschuwing,’ zei ik. ‘Een waarschuwing dat ik misschien niet jouw type ben.’
‘Soms weet je het gewoon meteen als iemand jouw type is,’ zei hij. ‘Aan het haar?’vroeg ik lachend.
‘Aan de ogen.’ Daar had ik niet van terug. ‘Vind je het goed als ik een eindje met je meeloop?’ vroeg hij. ‘Oké.’ Hij kwam naast me lopen en ik glimlachte in mezelf. We liepen een poosje zwijgend verder. ‘Je maakte geen grapje toen je zei dat je langzaam was,’ zei hij op een gegeven moment. Het tweede wat ik over Vincent wist was dat ik op een dag met hem zou trouwen. Maar het eerste wat ik wist was dat hij hardloper was.
Daarom is het zo moeilijk om hem nu te zien: met zijn beschadigde gezicht naar de muur toe terwijl hij slaapt, en de lege plek, daar waar vroeger zijn benen zaten.

Wil jij kans maken om dit boek te winnen? Kijk dan snel hier!!

Geen opmerkingen: