zaterdag 16 april 2016

'Oud lijk' door Dimitri Van Hove, deel 1.


Het scheelde verdomme maar een haar of ze was eronder gekomen. Claudia’s hart is als een halvegare tegen de binnenkant van haar borst aan het bonzen. Met haar fiets tussen haar benen trilt ze over haar hele lijf. Haar blik gaat van de grille van de auto – waar haar knie maar een paar centimeter van verwijderd is – naar het poema-embleem en de voorruit. Door de zon die erop weerkaatst wordt kan ze niet zien wie de bestuurder is.
‘Patser,’ mompelt ze en ze wacht tot hij uitgestapt is. De Manolo Blahniks en de bontmantel die onderaan het geopende portier verschijnen, doen vermoeden dat het om een vrouwelijk exemplaar gaat. Bovenaan het portier doemt een reusachtig permanent op.
‘Claudia?’ zegt de vrouw – ze spreekt het uit als Claudieuh. ‘Claudia-meid, ben jíj dat?’ Ze doet haar enorme zonnebril af en plant hem hoog in haar kapsel.
Claudia komt van haar fiets af. Ze heeft geen flauw benul wie dat mens is.
‘Ken je mij niet meer?’ De bestuurster gooit het portier dicht en begint haar handschoenen uit te trekken. ‘Ik heb een facelift ondergaan, maar zo veel ben ik toch niet veranderd?’
Intussen staan er al twee auto’s op hen te wachten. De bestuurster steekt een ontblote hand op naar de eerste in de rij. ‘Euven wachten, jongens.’ Ze richt zich weer tot Claudia, vraagt: ‘Kom je mee iets drinken?’ en trekt de autodeur weer open.
Iets drinken? Dat wijf heeft haar zonet bijna vermoord!
‘Mijn fiets…’
‘Laat je hier toch lekker staan, meid? Kom op, we gaan gezellig iets drinken. Ik ken hier een alleraardigst après-travail kroegje dat je zeker in de smaak…’
Er wordt getoeterd.
‘Je gaat wel hard,’ zegt Claudia terwijl ze haar gordel vastklikt.
‘Wat zeg jeuh, meid?’ De bestuurster neemt haar zonnebril af en gooit hem op het dashboard.
‘Dat u te hard rijdt.’
‘O ja?’ De vrouw kijkt naar de snelheidsmeter. ‘O ja.’
Claudia ontspant als ze vaart mindert, maar niet veel.
‘Gaan er al lampjes rinkelen?’ vraagt de vrouw na een tijdje.
‘Sorry… Waar kent u me van?’
‘Je zult een beetje harder moeten praten, meid. Ik heur niets met dit eur.’ Met een lange donkerrode vingernagel wijst ze haar oor aan. De rug van haar hand zit onder de levervlekjes.
‘Waar u me van denkt te kennen, vroeg ik.’
‘Van toen je Germaanse deed.’
Claudia wacht op nadere aanwijzingen maar er komt niets meer. Dan probeert ze maar de uni en haar docenten voor de geest te halen. Kende ze werkelijk zo’n potsierlijke bonenstaak? Dat zou ze zich toch zeker herinneren.
Nee. Er komt niks.
Opnieuw verontschuldigt ze zich. ‘Ik kan me u echt niet…’
De bestuurster kromt een hand rond haar slechte oor.
‘Welk vak gaf u dan?’ vraagt Claudia.
‘Welk vák?!’ De bestuurster kijkt haar verwonderd aan. ‘Zo oud zie ik er toch niet uit, mag ik hopen?’
Nu snapt Claudia er niets meer van. Waar heeft dit mens het over? Ze is op z’n minst tachtig. Hoe kunnen ze dan samen gestudeerd hebben?
‘Hier is het,’ zegt de vrouw, met haar magere vinger naar buiten wijzend. Toch blijft ze doorrijden. ‘Nu nog een parkeerplaats vinden.’
Ze rijden een ondergrondse parkeergarage in. De auto voor hen draagt een sticker met IK REM VOOR KINDEREN.
‘Ik geef het op,’ zegt Claudia. ‘Als u geen les gaf, was u dan een schoonmaakster? Een conciërge?’
‘Goed dan… Ik moet zeggen dat ik me wel een beetje beledigd voel.’
Claudia wacht.
‘Vera,’ zegt de vrouw uiteindelijk. ‘Ik heet Vera.’
Vera?
‘Je beste champagne, Henri,’ zegt Vera tegen iemand achter de bar. ‘En neem er zelf ook een.’
Het is hierbinnen te donker om te zien hoe Henri eruitziet. Wellicht is er niet eens een Henri, denkt Claudia, Vera is zo dement als een deur. Maar ze zal het spelletje meespelen, waarom niet? Als mevrouw Vera op het einde van haar leven per se vreemdelingen op champagne wil trakteren…
De tengere bejaarde begint haar jas uit te trekken. Claudia doet hetzelfde. Een dikke man met een dun snorretje komt uit de duisternis op hen toegesneld en neemt hun jassen aan. Henri bestaat toch. Vera zoent hem driemaal zonder zijn wangen aan te raken, bijna alsof ze links en rechts van zijn hoofd over zijn schouder spuugt.
Henri gaat hen voor. In het midden van het restaurant trekt hij bij het enige onbezette tafeltje een stoel weg en nodigt Vera uit plaats te nemen. Hij doet hetzelfde voor Claudia.
‘Zo,’ zegt Vera. ‘Hier zijn we dan. Gezellig.’
Claudia lacht beleefd en knikt. Ze kan Vera totaal niet plaatsen. Als ze aan de universiteit verbonden was, moet ze tot diep in haar pensioen aan het werk gebleven zijn.
‘Vertel…’ Vera legt haar verweerde hand op die van Claudia. ‘Hoe gaat het met je?’
Als Claudia wil vertellen dat ze schrijfster is, dringt het plotseling tot haar door: Vera is een stalkster!
Henri is terug. Vera trekt haar koude klauw terug en glimlacht als de champagnefles en de flûtes op tafel worden gezet. Henri draait aan de hals van de fles om haar het etiket te laten zien.
‘Ik heb mijn leesbril niet bij me, m’n beste,’ zegt Vera, ‘maar ik vertrouw je.’
Henri leest voor wat er op het etiket staat.
‘Dank je, Henri.’ Ze pakt opnieuw Claudia’s hand. ‘Ga verder, meid. Waar was je gebleven?’
‘Ik geef les,’ zegt Claudia. Dat is maar half gelogen, want toen ze nog niet van het schrijven kon leven, deed ze dat ook.
‘O ja? Wat leuk voor je.’
‘Nederlands en Engels.’ Ze neemt het gevulde glas aan dat Vera haar voorhoudt.
‘Ik was ook graag lerares geworden.’ Vera ruikt aan haar glas, nipt ervan en giet het vervolgens in één keer achterover. ‘Als iemand daar niet een stokje voor had gestoken.’ Ze barst uit in een hevige hoestbui. Vera diept een zakdoek op, brengt hem naar haar mond en gaat verder met hoesten. De tranen lopen uit haar ogen.
‘Gaat het, mevrouw?’ Claudia zet haar glas terug. Ze kijkt om zich heen, maar van Henri is geen spoor te bekennen. Wel komt er iemand anders naar hun tafel gelopen.
‘Rik?’ Wat doet hij hier?
‘Claudia…’ Hij gaat zitten en lijkt zich iets te realiseren. Iets onprettigs.
‘Ha!’ Vera bet haar ogen en bergt de zakdoek weer op. ‘Je bent er.’ Ze schraapt haar keel. ‘Champagne?’
Rik lijkt gedachten verzonken.
‘Rik!’ roept Vera. Hij schrikt op. Aan andere tafels tikt bestek tegen borden en wordt er omgekeken.
‘Droom je, Rik-kerel?’ Vera steekt de fles naar hem omhoog – Claudia ziet dat een van haar kunstnagels eraf is gevallen – en vraagt opnieuw of hij champagne wil.
Hij schudt zijn hoofd.
Door haar uitgelopen mascara ziet Vera eruit als Alice Cooper met een grote blonde pruik op. Claudia kijkt van Vera naar Rik en vraagt zich af of hij weet hoe de vork hier in de steel zit. Waarom is hij hier? En wat is in godsnaam het verband tussen hem en Vera?
‘Dus je kent me niet meer?’ vraagt Vera.
Claudia kijkt naar Rik voor het antwoord, maar hij schiet haar niet te hulp.
‘Rik begint het zich te herinneren, denk ik zo.’ Tegen Claudia zegt ze: ‘Ik zal je nóg een hint geven…’
Vera neemt haar kapsel af en zet het voor zich op tafel. Afgezien van enkele rossige plukjes is ze zo kaal als een kleuterkont. Ondanks het zwakke licht glanst de bleke schedel. Net als haar handen is haar hoofdhuid bedekt met levervlekjes. Ze buigt naar voren en toont Claudia de bovenkant. Midden op het dak van haar hoofd zitten twee korte donkerroze voren. Littekens.
Claudia’s mond is opengevallen. Als Rik niet zou zitten suffen, zou bij hem hetzelfde zijn gebeurd.
‘Valt je euro nu eindelijk?’ vraagt Vera.
‘Soms sloeg ze pa zelfs toen wij erbij waren,’ zei Rik.
Claudia raapte de klauwhamer op, gooide hem bij haar schoonmoeder in de kuil en schepte zwijgend verder.
‘Zal ik het overnemen?’ vroeg Rik.
Ze rechtte haar rug en veegde met een mouw haar voorhoofd af. Terwijl ze de spade overgaf vroeg ze: ‘Wanneer komt hij thuis?’
‘Pa? Vanavond pas.’ Rik begon te scheppen.
‘Vindt ie vast niet goed,’ zei Claudia. ‘Dit.’
‘Vast wel.’
‘Denk je?’
‘Pa wilde meer van haar af dan wij allemaal samen, geloof me.’
‘Laten we het toch maar stilhouden. Wat niet weet, wat niet deert. Je vader is al niet echt een fan van me, en als ie dan hoort dat ik zijn vrouw heb helpen vermoorden…’
Rik knikte en groef verder.
‘Waarom is het uiteindelijk mislukt tussen jullie?’ vraagt Vera. ‘Ik bedoel, als dít geen band smeedde voor het leven…’
Claudia kijkt geschrokken naar Rik. Hij zit er nog steeds bij als een zak zout.
Vera richt zich tot Rik en scheeuwt hem toe: ‘Maar jij! Jij bent helemaal de mooiste!’ Rondom hen wordt omgekeken en gemompeld. ‘Je eigen moeder!’ Ze steekt een vinger uit naar Claudia. ‘Maar ik heb jullie gevonden, klootzakken! En ik ga jullie godverdomme een poepje van eigen deeg laten ruiken!’
Claudia springt overeind, grijpt haar glas en kapt de inhoud in Vera’s gezicht. Claudia pakt Rik bij zijn hemd, trekt hem rechtop en kletst hem op zijn wang. ‘Wegwezen!’
Vera is opgestaan en komt om de tafel heen op hen af.
‘Rik! Godverdomme! Slaap je?!’ Claudia pakt het glas, slaat het kapot op de tafel en houdt het als een mes voor zich uit naar Vera. Alleen de steel van het glas is overgebleven, ziet ze nu pas. Ze gooit hem opzij, pakt de champagnefles en probeert het hiermee. Maar hij breekt niet. In plaats daarvan besluit ze hem als knuppel te gebruiken. Kom maar op, gebaart ze naar Vera. Kom maar...
Rik trekt haar met zich mee. Op haar rug heeft hij een vuistvol trui gegrepen en hij beent met haar naar de uitgang. Haar beha knapt open.
Henri gaat voor de deur staan en kruist zijn armen voor zijn borst.
‘Mijn moe… Vera betaalt,’ zegt Rik tegen hem en hij kijkt achterom: ze komt eraan.
‘Laat ons door, man!’ Claudia houdt de druppende champagnefles in de aanslag – hij is grotendeels leeggelopen langs de voorkant van haar broek.
‘Vera is nog niet klaar met jullie.’ Henri’s onderarmen zijn dikker dan mijn bovenbenen, denkt Claudia.
‘De keuken,’ zegt Rik. Samen met Claudia slaat hij rechtsaf. Ze rennen naar de dubbele deur.
Messen en vorken worden neergelegd, monden worden afgeveegd, stoelen piepen bij het verschuiven. Overal beginnen de gasten in het restaurant op te staan.
Ze komen op hen af. De weg naar de keuken wordt versperd door twee obers. Net als hun baas kruisen ze hun armen voor hun borst en gaan met wijd uiteen gezette voeten staan waken.
Rik en Claudia zijn omsingeld.
‘Wat de neuk is dit allemaal?’ zegt Rik als met zijn rug tegen die van Claudia aan staat. ‘Ik dacht dat je zei dat ze dood was.’
‘Ik heb een eitje met jullie te schillen,’ klinkt de stem van Vera. Er wordt plaats gemaakt om haar door te laten. ‘En daarna hebben mijn vrienden hier een appeltje met jullie te pellen.’ Ze heeft haar pruik weer opgezet. Zo te zien achterstevoren.
Achter de bewakers gaat de linkerdeur open en iemand steekt zijn hoofd de eetzaal in. ‘De oven is klaar, mensen.’ Hij verdwijnt weer.
Claudia kijkt de kring rond. Als dit zombies zijn, zien ze er verdomd patent uit.
‘Je eigen moeder,’ komt een stem vanuit de menigte. ‘De schande,’ zegt een ander.
‘Waarom nu pas?’ vraagt Rik aan Vera.
‘Ik vond jullie niet,’ antwoordt ze. ‘Normale mensen blijven bij elkaar na zoiets... Ik heb het aan je vader gevraagd, maar die trok zijn pistool. Herkende me ook niet meer.’
‘Pa is dood,’ zegt Rik. ‘Hij…’ Er dringt iets tot hem door. ‘Dus je hebt pa vermoord!’
‘Hij begon te schieten.’ Vera duidt haar rechteroor aan. ‘Ik ben morsdoof op dit oor, dank je feestelijk.’
‘Waarom is híj dan niet teruggekeerd? Waarom is pa dan geen zombie geworden?’
‘Wat? Wie heeft het over zombies, jongen?’ Ze haakt een plukje pruik achter een oor.
‘Wat gebeurt hier dan allemaal?’ roept Rik.
‘Wat is dit?’ mengt Henri zich in het gesprek. ‘Vragenuurtje?’ Hij wrijft over zijn enorme buik en richt zich tot Vera: ‘Ik begin honger te krijgen.’
‘Goed, goed.’ Vera draait zich om naar een tafel waarop een messenblok staat en trekt er het grootste uit. Ze knikt tegen de obers en deze komen in beweging.
Claudia slaat haar fles kapot op de rug van een stoel en begint haar nekspieren los te gooien. Rik op zijn beurt grijpt haar trui en trekt haar mee richting toiletten.
Een vrouw met een grote hoed gaat tussen hen en de deur in staan.
‘Opzij mens,’ zegt Claudia. In haar ooghoeken ziet ze dat de groep hen weer aan het insluiten is. Aangevoerd door Vera die haar messen langs elkaar aan het halen is. Claudia kijkt naar de vrouw die de doorgang blokkeert. Als die er wat meer als een levende dooie zou uitzien, zou alles een stuk makkelijker zijn.
Ze trapt de vrouw vol in haar kruis.
Het geduw en gebonk is opgehouden. Met hun rug tegen de deur glijden Claudia en Rik naast elkaar op de grond. Claudia kijkt omhoog naar de deurknop en natuurlijk is het te mooi om waar te zijn dat daar een sleutel in het slot zit. Ze zullen moeten blijven waar ze zijn.
Ze horen Vera iets zeggen aan de andere kant van de deur. Het meeste klinkt te gedempt om verstaanbaar te zijn, maar wat ze allebei wél kunnen horen is de laatste zin: ‘Zet ´m op, Henri.’
Claudia en Rik kijken elkaar aan en slikken simultaan. Aan haar kant van de muur loopt er verticaal een robuuste buis van het een of ander, waar ze snel haar voet tegen…
Hun hoofden klappen gelijktijdig vooruit en slaan knalhard terug tegen het hout aan. Claudia’s champagnefles klettert op de tegels.
Vlakbij kreunt Henri – luid en duidelijk, alsof er helemaal geen deur tussen hen in zit.
‘Fuck!’ Rik voelt aan zijn achterhoofd en bekijkt zijn vingers.
Claudia zet haar andere voet ook tegen de buis aan en zet zich schrap voor de volgende dreun. Rik is onderuit gegleden en gaat weer rechtop zitten.
Ze horen dat Henri komt aangelopen en voelen hem tegen de deur opbotsen. Claudia’s tanden klapperen ervan. Het davert door haar rechterdij, maar de buis is hun redding. Zonder die buffer zouden ze allebei op hun reet tot halverwege de tegelvloer gegleden zijn, en was de deur met hengsels en al naar binnen gevlogen.
Rik gaat weer rechtop zitten. ‘Kom op, klootzak! Is dat alles wat je hebt?!’
Het blijft stil. Vera zegt iets, waarop Henri fluistert: ‘Ik moet aan mijn bloeddruk denken.’
‘Hoe komen we hier weg?’ vraagt Rik. Hij kijkt naar de deuren met DAMES en HEREN erop. ‘Bij de HEREN is er geen raam waar we door kunnen – ik ben hier al eens geweest.’
‘Ga eens kijken bij de vrouwen,’ zegt Claudia.
‘En jij dan?’
‘Dit houdt ze wel tegen.’ Ze knikt naar de buis. Rik komt overeind en gaat kijken.
Aan de andere kant van de deur zijn ze aan het mompelen. Een mannenstem komt er bovenuit, maar hij is niet van Henri. Vera antwoordt iets. Daarna hoort Claudia iemand weghollen.
Rik komt hoofdschuddend terug. Hij zoekt in een van zijn broekzakken, haalt er zijn vuist uit en bekijkt de inhoud. Hij zucht.
‘Wat is er?’
‘Ik zoek een muntstuk,’ zegt Rik. ‘Of een plectrum. Ik dacht dat ik een plectrum bij me had.’
‘Mijn muntstukken zitten in mijn jas.’ Claudia wijst met een duim achter zich. ‘Aan de kapstok.’
‘Schitterend.’ Rik bergt zijn zakdoek, snoep wikkels, tickets, papiertjes, een gommetje, een condoom, een gekreukte sigaret en alle andere troep die hij in geen miljoen jaar kan gebruiken weer op. ‘Wat nu gedaan godverdomme?’
Hij komt naar haar toe, stopt bij de champagnefles. ‘Hallo.’ Rik raapt hem op en maakt rechtsomkeert.

‘Wat doe je?’ roept ze naar het damestoilet.



<vervolg morgen>

Geen opmerkingen: