dinsdag 31 mei 2016

Auteurs bloggen......Marlen Beek~Visser


Hoe ik bijna door de mand viel

Het publiceren van een boek wordt nog wel eens vergeleken met het krijgen van een kind. Je eigen schepsel, je eigen creatie ziet bij de presentatie van je debuut het levenslicht. Maar er zijn wezenlijke verschillen: bij je boek heb je, in tegenstelling tot bij je pasgeborene, enige invloed op hoe mooi of lelijk je creatie is. Bij kinderen moet je maar afwachten of het een leuk exemplaar wordt, al zie je dat zelf gelukkig niet. Hormonen maken van elke pas bevallen moeder een blinde vink.

Ook in andere opzichten gaat het vergelijk van een boek met een baby mank. Want daar waar we over elke baby -al dan niet uit goed fatsoen- lyrisch roepen hoe mooi en schattig het pasgeboren schepseltje is, hoewel ze echt niet allemaal in een Zwitsal-reclame vertoond kunnen worden, bij een net verschenen boek kan het alle kanten op. Zoveel lezers, zoveel meningen. Ik ben oprecht blij en dankbaar dat mijn debuut goed is ontvangen en dat de recensies, op een enkele uitzondering na, positief en zelfs lovend zijn. Maar daar wringt meteen de schoen. Mijn schoen in dit geval.

Want zo onbevangen als ik mijn eersteling schreef -gedisciplineerd 3000 woorden per week en het ging toch lekker!- zo moeizaam ben ik op gang gekomen met nummer twee. Is dat omdat ik het schrijven ben verleerd? Nee, het heeft alles te maken met verwachtingen. De goedbedoelde lezersreacties met een strekking als ‘pakkend debuut, ik kijk nu al uit naar je volgende boek!’ zijn fijn zolang je nog niet met nummer twee bent gestart. Is het eenmaal zover, dan heb je een vet probleem. Want de blijde verwachting van lezers als het gaat om je tweede boek, keert zich razendsnel tegen je zodra je de eerste pagina aan het typen bent. Lukt het om dat trucje nog een keer te flikken? Is dit verhaal überhaupt wel spannend of val ik met nummer twee gigantisch door de mand? Ik kan je zeggen, dat werkt niet bepaald bevorderlijk voor de creatieve verbindingen in mijn rechterhersenhelft.







Om nog even bij baby’s en boeken te blijven: zo eenvoudig als de fysieke handeling is om een tweede kind te creëren, zo’n worsteling is het als het gaat om je tweede boek. Is het daarom dat ik jeuk krijg als iemand zijn of haar boek ‘mijn kindje’ noemt? Zullen we bij dezen afspreken dat we daarmee stoppen?
Tijdens een interview met Abdelkader Benali hoorde ik voor het eerst een soortgelijke ervaring. Abdel worstelde met hetzelfde verwachtingspatroon, grotendeels door zichzelf opgelegd. Na zijn succesvolle debuut Bruiloft aan Zee deed hij er zes jaar over voordat hij zijn tweede boek schreef. Uit pure frustratie ramde hij het er uiteindelijk uit. En won met De Langverwachte de Libris Literatuur Prijs.

Gesterkt door deze ontboezeming heb ik uiteindelijk de oplossing gevonden: alles wat ik nodig heb is een deadline die tastbaar dichtbij komt. Ik heb inmiddels het leeuwendeel van mijn tweede thriller geschreven en ram het verhaal, dat zich diep in mijn rechterhersenhelft heeft verstopt, er met gepast geweld uit. Ik vertrouw erop dat ik tijdens het herschrijven prachtige invallen zal krijgen. Het is een hele bevalling, maar het resultaat zal er hopelijk naar zijn. Zit ik hier nu toch weer dat onzinnige vergelijk te maken?
En het klinkt raar, maar stiekem kijk ik nu al uit naar het schrijven van mijn derde boek.

Geen opmerkingen: