dinsdag 28 juni 2016

Auteurs bloggen.......Dimitri Van Hove


Ik heb nog een jaar te leven.
Omdat de gastblogs op De Perfecte Buren geen titel hebben, en ik enkel op basis van mijn naam (nog) geen grote schare lezers naar mijn schrijfsels weet te lokken, moet ik de aandacht trekken met de openingszin. Om die vervolgens een beetje te relativeren, want volgens artsen heb ik heus nog wel even. Ondanks mijn aandoening kan ik minstens zo oud worden als mijn hoogbejaarde schrijfpartner.

Lang heb ik erover nagedacht of ik mijn prille publiek hier nu al mee moet lastigvallen, maar waar moet ik het anders over hebben? Ik heb een mening over allerlei zaken, maar na een paar woorden ben ik er al over uitgepraat. Hoeveel keer kun je lachen om Erdogan? Hoe vaak kun je reclame maken voor je nieuwe boek? Daarom lijkt een wekelijkse column me een hele taak. Volgens mij zouden mijn stukjes algauw verworden tot pure fictie. Nu kun je daar in een column nog wel mee wegkomen, een blog is echter een soort openbaar dagboek – daarvan wordt verwacht dat je de persoonlijke toer opgaat en min of meer de waarheid vertelt. Mensen die me kennen weten dat ik rolstoelgebonden ben, dus beweren dat ik die en die bekende Nederlandse heb staan neuken is weinig geloofwaardig.

Uiteindelijk besloot ik om het over mijn aanstaande verjaardag te hebben. In augustus word ik negenendertig. Nog één jaar verwijderd van Oudezakland. Voor een man is dat natuurlijk een stuk minder dramatisch dan voor een vrouw – als je tot dat deel van de bevolking behoort is je leven echt wel voorbij op die leeftijd – maar in mijn geval is het óók een mijlpaal: veertig jaar is mijn levensverwachting. Als er in interviews naar mijn beperking gevraagd wordt zeg ik vaak dat ik al vanaf mijn geboorte Belg ben. Dat breekt het ijs. Indien er daarna nog interesse is voeg ik eraan toe dat ik bovendien een progressieve spierziekte heb, meer bepaald ataxie van Friedrich. In de loop der jaren is die levensverwachting door Wikipedia en andere online bronnen een beetje naar boven bijgesteld, en je hoort natuurlijk alleen te luisteren naar de prognoses van beëdigde artsen, maar toch heb ik die veertig altijd in mijn achterhoofd gehouden.

Eigenlijk ben ik behoorlijk tevreden over mijn leven. Natuurlijk hoop ik dat een doorbraak in het stamcelonderzoek er in de nabije toekomst voor kan zorgen dat het ene eiwit dat ik tekort heb aangevuld kan worden, maar verder ben ik helemaal niet ongelukkig met hoe alles verlopen is.
Om te beginnen was ik zonder deze spierziekte nooit schrijver geworden. Ik heb me toegelegd op mijn mentale ontwikkeling omdat ik letterlijk niks anders kon. Terwijl klasgenoten zich in een coma dronken of omkwamen bij weekendongevallen, zat ik thuis boeken te verslinden. En als je veel leest denk je op den duur dat je zelf ook kan schrijven. Ik ga geen namen noemen om Heleen van Royen te beschermen, maar als je ziet dat het tegenwoordig geen moer meer uitmaakt wat en hoe je dat wat op papier zet, hoe moeilijk kan het dan zijn? Als mannelijke auteur is het voor mij ingewikkelder om een tampon uit mijn gevarendriehoek te trekken, en het zou weinig origineel zijn als Karin ook met een ongestelfie aan komt kakken, maar ik kan vast en zeker iets anders goors bedenken wat mijn schrijfpartner live op de Nederlandse televisie zou kunnen doen. (Ik zeg expliciet ‘Nederlandse’ televisie, want in Vlaanderen zijn we zo ver nog niet – hier is het al een stunt als je een Koetjesreep meegeeft bij je nieuwe boek.)

Ik zei eerder dat ik liever verhalen verzin, maar merk dat nu ik over mezelf aan het lullen ben ik ook aardig op dreef kom.
Waar was ik? O ja. Zonder deze handicap had ik nu een negen-tot-vijfbestaan; een of ander oersaai baantje waarmee ik tot aan mijn pensioen mijn huis moet afbetalen. Ik zou getrouwd zijn met een Vlaams mormel, want Nederlandse vrouwen had ik als niet-schrijver ook nooit leren kennen, en we zouden exact twee kinderen hebben. We zouden ons kroost uitrusten met de meest stuitende moderne voornamen die we kunnen bedenken en tegenover vrienden aan hen refereren met “de kids”. Ik zit dit al kokhalzend te tikken, ik zweer het.
Veel van mijn leeftijdgenoten schoppen op dit moment hun tanende vrouw aan de kant om plaats te maken voor een strakker specimen (of dromen daarvan), anderen kopen ter compensatie van beginnende kaalheid en impotentie een motorfiets of een tweedehands Porsche Cayenne. Maar ik ben daar dus mooi aan ontsnapt.

Wel laten roem en financiële overvloed wat langer op zich wachten dan ik gehoopt had. Toen ik de samenwerking met Karin begon dacht ik dat deze rolstoel de ideale gimmick was, iets wat van ons een heel herkenbaar schrijversduo maakt. Zoals Herman Brusselmans zijn haar heeft, zo heb ik mijn aandoening. Het kan ook averechts uitpakken: een veel gehoord en door mij vaak ondervonden vooroordeel is het idee dat rolstoelgebruikers niet helemaal goed bij hun hoofd zijn. Mensen denken bij Karin en Dimitri niet aan Nicci en French, maar aan iemand met een verstandelijke beperking die zijn onsamenhangende verhaaltjes aan zijn secretaresse zit te dicteren.
Dat is het enige aspect van mijn leven wat nog voor verbetering vatbaar is, en ik hoop dat daar dit jaar verandering in komt. Dat in 2016 vooral uitgevers ons op waarde weten te schatten.

Geen opmerkingen: