donderdag 14 juli 2016

Bookflash 'Nachtvlinder' Carina van Leeuwen en Win!




De zware eikenhouten voordeur viel geluidloos in het slot. Haar strak zittende blauw satijnen jurk ruiste toen ze opstond van de witleren bank en hem tegemoetliep. ‘Daar ben je.’ Hij omhelsde haar en toen hij haar losliet, schopte ze haar stiletto’s uit en zette haar blote voeten plat op het zachte kleed dat op de parketvloer in de woonkamer lag. Het deed pijn en was fijn tegelijk, na een hele avond op de schoenen waren haar voeten verkrampt. Ze kuste hem en trok hem speels aan zijn stropdas mee in de richting van de slaapkamer. Daar stond een groot rond bed met erboven aan het plafond een spiegel. De lakens waren van roze satijn, het hoogpolige tapijt was een tint donkerder roze. ‘Rustig aan, laten we eerst wat nemen om te ontspannen.’ Glimlachend tastte hij in zijn binnenzak en haalde er twee zilverkleurige voorwerpen uit, die hij omhooghield. Hij draaide een schroefje aan de onderkant een kwartslag en hield haar het ding voor. ‘Kijk eens, topkwaliteit. Jij mag eerst.’ ‘Sinds wanneer gebruik jij een bullet?’ Met een zucht liet ze zich op de bank vallen en nam een van de reservoirs van hem aan. Het zag eruit als een kogel, maar het verschil met een echte patroon was dat hiermee geen munitie werd afgeschoten en dat er geen kruit in zat, maar een dosis cocaïne. Die kon op die manier discreet in de neusgaten worden gesnoven met een precies afgemeten dosis, zonder geknoei op een spiegeltje. Gretig hield ze de holle punt tegen haar linkerneusgat en snoof. Even knipperde ze met haar ogen. De eerste sen­satie van het contact met haar neusslijmvlies wende nooit, was pijnlijk en heerlijk tegelijk. Ze draaide de onderkant van de kogel een slag en snoof de tweede dosis in haar andere neusgat. ‘Lekker?’ vroeg hij. Zonder te antwoorden sloot ze haar ogen en een golf van genot trok vanuit haar hersenen door haar lichaam. Een lichtgevende, intens blauwe stroom waar zilverkleurige, schitterende druppels afsprongen en in elke cel van haar lichaam een sensatie veroorzaakten. Het maakte een begeerte in haar los; naar opnieuw, maar ook naar vaker en steeds meer. Het witte wonderpoeder, dat haar nooit teleurstelde. De enige sneeuw die je verwarmde. Niets anders maakte haar zo intens tevreden en ontspannen. De hele wereld lag aan haar voeten, ze kon alles, en als beste. Ze surfte mee op de golf die haar deed vergeten waar ze echt was en wat ze daadwerkelijk deed. Een illusie van liefde vouwde zich als een zachte deken om haar kille hart, verwarmde het, al was het maar tijdelijk. Over een paar uur zou ze weer terug zijn in de werkelijkheid, in het hier en nu, en was de kater extra groot; het verlangen naar opnieuw deze roes sterker nog dan daarvoor. Maar ineens was het anders. De stroom door haar lichaam werd intens warm, verzengend, verlammend. De hitte leek zich samen te ballen en perste zich door haar hals naar haar hoofd. Daar explodeerde het. Niet zoals anders in mooie blauwpaarse stromen en sterren, maar te wit, te fel, te pijnlijk. Haar kaak verkrampte en praten lukte niet. Haar hoofd maakte schokkerige, ongecontroleerde bewegingen toen ze wilde knikken en schudden tegelijk. Knipperen met haar oogleden veroorzaakte in haar hoofd een geluid alsof er honderd zware deuren werden dichtgegooid. Ze wilde opstaan van de bank, maar de andere leuning van de witte bank kwam omhoog, als een enorme golf die haar zou opslokken, haar zou meeslepen als in een tsunami, en ze werd misselijk. Opnieuw probeerde ze op te staan, maar haar spieren reageerden niet op het commando vanuit haar hersenen. Haar jurk leek nog strakker te gaan zitten. Ze zat gevangen in een cocon, een harnas, te zwaar en star om in te bewegen. Geen lucht meer. Uittrekken wilde ze de jurk, nu. Haar hand ging moeizaam omhoog en wenkte, hij moest haar helpen. Schokkerig kwam ze half overeind om direct weer onderuit te glijden. Haar voet bleef achter de rand van het vloerkleed haken en klapte dubbel. In een waas zag ze hem opstaan, maar in plaats van naar haar toe, liep hij achteruit, naar de deur. Haar mond weigerde dienst toen ze zijn naam wilde roepen. Het beeld werd waziger, focussen lukte niet, het witte kleed leek als een wolk langs te drijven en bleef hangen boven de bank. Gefascineerd keek ze ernaar terwijl de kleur van het kleed veranderde, maar de misselijkheid nam weer toe en ze zocht met haar blik naar hem. Hij zweefde ergens in een hoek van de kamer, schuin boven haar. Benauwd, warm, misselijk voelde ze zich. Weer wilde ze aan de jurk trekken, maar ze had geen kracht in haar handen en haar armen vielen slap langs haar lichaam. Langzaam zakte ze verder onderuit, van de bank af, half op de vloer. Steeds waziger werd haar zicht, het plafond draaide sneller en sneller boven haar en vermengde zich met de muren, en met hem. 

*** 

Het was tegen zeven uur in de ochtend en de dageraad verdreef de nacht. De zon liet zich niet zien op deze eerste herfstdag in september, er lag een dik wolkendek en het miezerde. Het schip deinde zachtjes op de kalme zee, pas later op de dag zou de wind aantrekken. Alleen het gerammel van de ankerkettingen vormde een terugkerend, slaapverwekkend geluid. Zeker als dat geluid je al maanden begeleidde, dag en nacht. Chao en de andere vier 8 mannen die op het vrachtschip Charlene verbleven, lagen al acht maanden voor de rede van Scheveningen. Het honderdzestig meter lange schip had Panama als thuishaven, voer onder Maltezer vlag, maar was eigendom van een maatschappij in de Filipijnen. De vijf zeelui die nog aan boord waren, waren allemaal Aziaten. Er was beslag gelegd op het grote schip, vanwege de erbarmelijke conditie waarin het verkeerde. De eigenaar maakte zich daar niet druk om, maar de Nederlandse scheepvaartinspectie dacht daar anders over en legde het schip aan de ketting. Voor de bemanning ontstond zo een uitzichtloze situatie. Ze konden geen kant op. Chao stond op blote voeten in plastic slippers aan dek en rilde in zijn te dunne kleren. Hij rookte een sigaret en staarde naar de horizon. Daar, heel klein, was de pier van Scheveningen te herkennen en de rode vuurtoren. Maar hij zag dat niet. Hij dacht aan zijn thuisland in Zuidoost-Azië, waar zijn vrouw en kinderen wachtten. Daar, waar zijn eiland Luzon tussen de Zuid-Chinese en de Filipijnse Zee lag. Waar de zon zoveel mooier opkwam boven de kustlijn met bergen en vulkanen dan hier in het koude, vlakke Nederland. Zijn gedachten werden onderbroken door een zeehond die vlak bij het schip opdook. Het grijze dier dobberde aan de oppervlakte en verdween af en toe uit het zicht door een golf. Chao keek nog eens goed. Het was geen zeehond. Het was een mensenlichaam, in een duikpak. Daar dook het weer op en Chao boog zich over de reling. Onmiskenbaar een mens, op zijn buik naar het schip toe drijvend. Zijn rug stak boven het water uit, zijn ledematen waren slechts deels zichtbaar. Geschrokken sloeg hij een kruis en deinsde terug van de reling, alsof de dode hem nog iets kon doen. ‘Banal na Ina Maria,’ mompelde hij in zijn moedertaal en hij riep daarmee de heilige moeder Maria aan. Er waren al problemen genoeg, een dode aan boord hijsen zou alleen nog maar meer ellende betekenen. Besluiteloos liep hij even heen en weer, hopend dat de dobberende dode zou verdwijnen in de golven. Maar steeds opnieuw dook het lichaam op en elke keer iets dichter bij het schip. Chao gooide zijn sigarettenpeuk in het water en liep over het dek naar het achterschip, haalde er een lang stuk touw met een enterhaak tevoorschijn. Hij wachtte tot het lichaam vlak bij het schip lag, mikte de haak negen meter omlaag voorbij het lichaam en haalde het touw naar zich toe. De haak gleed langs het lichaam en klapte tegen het schip, wat een doffe klap veroorzaakte. Hij haalde het touw met grote halen binnen en ving de haak met één hand op. Na nog twee pogingen besloot hij hulp te halen. Gezamenlijk konden ze de loopplank laten zakken aan de zijde van het schip waar het lichaam dreef, en het dan daarop hijsen en naar boven brengen. Drie kwartier later zwaaide de loopplank boven het dek en rolde er wat restte van het lichaam van een mens die langere tijd in het water heeft gelegen op het dek. Dat het een mens was, kon alleen maar bepaald worden doordat het gekleed was in een grijs duikpak, maar het zou ook een onvolledige pop kunnen zijn. Zijn benen waren aangevreten, er waren geen voeten meer en ook zijn handen waren weg. Daar waar het gezicht hoorde te zitten, was een gapend gat waarin een slijmerig weefsel zichtbaar was. Chao kokhalsde, draaide zich om en stak een sigaret op. Boven hen krijste een groep meeuwen die in cirkels boven het schip vlogen. 

*** 

Op dit tijdstip zou hij niemand tegenkomen op de met hoge bomen omzoomde toegangsweg. Het seizoen was ten einde, maar de vaste bewoners zouden in het weekend nog veelvuldig aanwezig zijn. Hij deed de verlichting van de auto uit en reed in het duister verder. De donkerblauwe Volvo gleed geluidloos over het geasfalteerde pad naar het huis helemaal achteraan. Het was de laatste in een rij van zes villa’s met een flink perceel land eromheen dat werd omzoomd door een hoge heg en bomen. Even twijfelde hij of hij wel direct naast het huis zou parkeren, gezien zijn plan. Niet op de oprit, maar naast de heg. Het was een leasewagen en dan zou zij misschien wel voor de schade moeten opdraaien. Of beter nog: op de algemene parkeerplaats voor bezoekers, helemaal aan het begin van het park. Hij keerde de auto en reed weer terug naar de entree van het park. Daar sloot hij de auto af, bedacht zich opnieuw en legde de sleutels vervolgens achter de zonneklep. Zijn pas versnellend liep hij over de brede laan totdat hij via de smallere zijwegen bij het pad kwam dat naar de riante villa leidde. Hij schrok van de buitenlamp die aanging toen hij binnen het bereik van de bewegingssensor kwam. Zodra hij binnen in de woning was, deed hij de lamp uit; hij wilde niet gestoord worden. Zonder te aarzelen liep hij naar de deur waarachter de cv-ketel stond opgesteld. Hij had hier veelvuldig over nagedacht. Verschillende scenario’s hadden door zijn hoofd gespeeld, maar hij bleef in kringetjes ronddolen. Groot nadeel was dat de levensverzekering niet uitgekeerd zou worden. Dat speet hem, voor haar en voor zijn kinderen. Maar als hij het niet deed zou er helemaal geen geld meer overblijven. Hij trok een deur open en tastte naar het lichtknopje. Een kaal peertje verlichtte de ruimte en hij knipperde even tegen het felle licht om eraan te wennen. In de gereedschapskist die op een metalen stelling stond, vond hij wat hij zocht. Met de steeksleutel draaide hij de koppeling los tussen de gasleiding en de brander. Hij gaf een ruk aan de leiding, er klonk een zacht gesis. Het gas stroomde en zou weldra doen wat hij ervan verwachtte en vreesde. Met handdoeken en lakens die hij uit de kast in de slaapkamer trok, propte hij vervolgens de kieren dicht onder de buitendeur en de deur die naar de slaapkamer leidde. Hij zweette door de inspanning, verbeeldde zich dat hij al zuurstof tekortkwam. Maar wat hij echt tekortkwam, was lef. De moed om in opstand te komen, in te grijpen en weer vat te krijgen op zijn leven. Om eerlijk te zijn en zijn huwelijk te redden, zijn kinderen een zorgeloze toekomst te bezorgen. Hij ademde oppervlakkig en snel waardoor hij licht werd in zijn hoofd. Duizelig greep hij zich vast aan de deurpost. Alles was nu luchtdicht afgesloten en hij opende de vier gaspitten in de kleine, maar praktische open keuken. Op het aanrecht stonden nog mokken en bekers van de laatste keer dat ze hier met z’n allen waren. De beker van zijn zoon, met het logo van zijn favoriete voetbalclub, die van zijn dochter met een popster van wie hij de naam niet wist. Het viel nu goed te ruiken, de toegevoegde geur aan het reukloze aardgas, wat betekende dat de concentratie in de ruimte waar hij zich nu bevond in elk geval al één procent was. Hij had het allemaal opgezocht op internet, bij vijf procent werd het explosief. Starend op zijn horloge schatte hij in hoeveel tijd het gas nog nodig had om tot die explosieve grens te komen. Toen keek hij besluiteloos om zich heen. Hier had zijn plan niet in voorzien. Wachten. Wachten tot het moment dat de boel zou exploderen. Hoe vulde je die tijd? Hoe deden anderen dat? In de koelkast stond nog bier. Hij rukte het lipje van het blikje en zette het aan zijn mond. Het smaakte niet, maar toch dronk hij door, de hele inhoud achter elkaar. Het bier liep langs zijn kin op zijn overhemd. Het koude vocht bezorgde hem een stekende pijn achter zijn ogen. Met een klap zette hij het lege blikje op tafel en boerde. Zou hij gaan zitten of liggen op de bank? Halverwege het lostrekken van zijn schoenveters stopte hij. Waarom zou hij zijn schoenen uitdoen? Hij liet zich achterover zakken op de bank en legde zijn voeten met schoenen en al op de leuning. De gaslucht werd intenser. Gehaast kwam hij weer overeind en pakte zijn telefoon. Het duurde even voordat hij had bedacht wat hij zou zeggen. Niets zou afdoende zijn, zou het verklaren, goedmaken, maar toch sprak hij wat in. Het ging gemakkelijker dan je zou verwachten, alsof hij vaker zoiets insprak, zo vlot vormden woorden zich tot zinnen. Misselijk gooide hij het toestel op tafel. Misselijk van wat hij had gezegd, van wat hij had nagelaten, van wat hij had gedaan, van wat hij op het punt stond te gaan doen. Het was geen angst, hij was vastbesloten, maar het was een laffe daad. Met een ruk trok hij de goudgele gordijnen dicht, stak vier waxinelichtjes aan en ging op de bank liggen.

Uit: Carina van Leeuwen 'Unit Plaats Delict Nachtvlinder', tekst is eigendom van A.W. Bruna Uitgevers © 2016 Carina van Leeuwen © 2016 A.W. Bruna Uitgevers, Amsterdam  

Wil jij weten hoe dit verder gaat aflopen? Wil je kans maken op een exemplaar van 'Nachtvlinder'? 
Geef dan voor 16 juli 24.00 uur antwoord op de volgende vraag: 
Met welke woorden roept Chao de heilige maagd Maria aan? Weet je het antwoord? Mail dit naar perfecteburen@gmail.com o.v.v. je gebruikersnaam op Facebook.
Let wel, alleen leden kunnen meedoen aan onze winacties. Nog geen lid? Meld je hier dan aan. 

Geen opmerkingen: