donderdag 8 september 2016

Bookflash ‘Kijk niet zo, Konijntje’ van Marnix Peeters en WIN!




Uw nonkel,Uw vriend, 

Weet ge wat het is met het leven? Het slijt. Het went. Het verrast u niet meer, na verloop van jaren. 
Ik weet nog hoe ik als kind naar de eerste sneeuw uitkeek, die men ’s avonds op de televisie had beloofd, en ’s morgens vroeg in de keuken door het venster naar de donkere tuin zat te loeren, met mijn handen rond mijn ogen tegen het licht van binnen, en dan zag ik hoe, zeer langzaam, de sneeuwlaag in ons stadstuintje dikker werd, en pas als mijn moeder op- stond (mijn vader was steeds op zakenreis, het is te zeggen: hij zat bij zijn maîtresse) en het buiten voldoende licht was, mocht ik met mijn gummilaarzen aan en een dikke wollen muts op het hoofd het prachtige tapijt aan diggelen stampen en rollen, joelend van de pret. 
Deze verwondering en deze eenvoudige blijdschap verdwijnen. Bij de ene gebeurt het vroeg en bij de andere laat, en vaak heeft men het zelf niet eens in de gaten, maar verdwijnen zullen ze. Dan zegt men niet meer: ja, hoera! maar: het zal weer wat geven op de autoweg! als men te horen krijgt dat er sneeuw voorspeld is; dan piekert men over de camions die moeite zullen hebben met het uitrijden van het wasgoed omdat het hellend vlak aan de laadkade snel bevriest, en herinnert men zichzelf er kniezend aan dat men nog strooizout moet inslaan voor de komende maanden. Dan begint men zich prompt af te vragen hoeveel van uw werkneemsters ’s anderendaags weer allemaal zullen thuisblijven, omdat ze met hun brommertje niet door de vuiligheid geraken of omdat hun bus was afgeschaft, en durf daar vooral niets tegen in te brengen of ze zeggen dat ze er met de vakbond over gaan spreken, dat hun huisdokter ze nu al heeft gewaarschuwd voor een burn-out en gezegd heeft dat ze zich niet onder druk mogen laten zetten, zeker niet door hun baas, want dat de gevolgen anders niet van de poes zullen zijn – dat wil zeggen dat ze dan zes maanden betaald thuis zullen zitten, met de zak ribbelchips op schoot en de koelkast vol suikerdrank, sigaretten rokend en aan hun kruis krabbend, zodat men een half jaar later drie keer moet kijken vooraleer ge ze herkent, dat ge zegt: Erika! Zijt gij dat? Het verlengd verlof heeft precies deugd gedaan? Uw lichaam heeft zich ten volle weten te ontwikkelen! Wat een weelde! – en dan moet ge geluk hebben dat het er een is die nog nooit van ironie heeft gehoord en die gemeend dank u pruttelt, want anders gaan ze ergens klagen dat ge om hun uiterlijk hebt gelachen, en ge moogt er een sterk vergif op innemen dat ze diezelfde dag nog een dokter vinden die hun drie maanden uitschrijft wegens depressie omwille van een laag zelfbeeld. Intussen is het bijna weer Kerstmis en hebt ge het de hele tijd met een man minder moeten doen, en neem maar van mij aan dat op het kwaadste moment de laatste strijkster die nog arbeidsgeschikt is in uw bureau staat om te zeggen dat ze zich heeft laten volpompen door de Algerijn die ze een maand eerder uit de vluchtelingenstroom heeft opgevist, en dat ze vanaf volgende week thuis moet blijven om haar baaroefeningen te doen en haar ademhaling te regelen. 
Maar het slijt dus, de verwondering en de opwinding, het enthousiasme en het geluk, de blijdschap die de eerste lente- warmte kan teweegbrengen na een droefgeestige winter, als men de sneeuwklokjes ziet wiegen in de koude bries, nog nat van een malse bui maar vastbesloten om er een mooie dag van te maken – het kan een mens nog wel doen glimlachen, zelfs de zestigste keer dat men het ziet, maar men weet intus- sen dat het maar voor even is, dat de dagen weldra weer zullen beginnen te korten, dat alle gelegde eieren ook weer doelloos zullen geweest zijn, het is te zeggen: dat zij nieuwe vogeltjes hebben opgeleverd die eerlang met dezelfde blinde drang aan het copuleren zullen slaan, met dezelfde verbetenheid een vernuftig nest zullen bouwen, en even koppig als hun ouders de eieren zullen bebroeden die vervolgens weer door nieuwe vogeltjes van binnenuit zullen worden open getikt, waarna ze hun slijmerige kopjes het daglicht in duwen, zich niet eens af- vragend wat er aan de hand is, en enkele weken later zonder vragen te stellen in de eeuwige mallemolen zullen springen en hun tijd in dit leven gehoorzaam zullen volmaken, enkel en alleen om weer exact dezelfde fanatieke zinloosheid teweeg te brengen. 
Zulke dingen zit ik te denken als ik hier binnen zit en het buiten begint te schemeren, en ik zie de mensen door de veel te vroege sneeuw ploeteren met hun hoeden en hun kappen op, en met volle winkelzakken in de hand, om zichzelf straks weer vol te kunnen stompen met voedsel om zo de volgende ochtend te halen, en als ge dan vraagt waarom, dan zeggen ze: euh, ja, omdat dat zo is!
Omdat het zo is!
Het leven is een lastig gedoe – ge hebt vijftien jaar nodig om de basis aan te leren, uw lepel recht in uw mond steken, uw veters strikken en uw gat afkuisen, daarna moet ge vijftig jaar lang zien op eigen benen te staan, moet ge uw weg zoeken in relaties, werk, ouderschap, depressie en tegenslag, vervolgens wordt ge ziek, beginnen uw onderdelen te haperen, boert alles in recordtempo achteruit en wordt ge ten slotte in een natte put gegooid of in een hete bakoven geschoven, en het enige antwoord dat mensen kunnen geven op de vraag waar het allemaal goed voor is, is: omdat dat zo is! 
Neen, dat zijn dagen dat ik zo snel mogelijk op mijn kamer zit, dan moeten ze mij met rust laten en dan neem ik om half negen anderhalve Noctec en horen ze mij tot ’s ochtends vroeg niet meer – soms doet ge de wereld een plezier met u te verstoppen en u stil te houden. Meer mensen moesten dat beseffen, maar het zijn meestal de grootste lawaaimakers die het minste verstand hebben, en zeker het minste gevoel voor wat de buitenwereld van ze denkt. 

31 januari
Ach, het leven. Ge hebt er niet om gevraagd, anders zoudt ge nog kunnen zeggen: het is mijn eigen schuld, ik had maar twee keer moeten nadenken. Neen, het wordt u opgelegd, en ge zit ermee. Ze maken u wijs dat het uniek en kostbaar is en dat ge er zelf niets over te zeggen hebt – het is te nemen, niet te laten – zelfs als ge uitgeteerd en dwaas uw pudding op zit te slurpen in het dementerendengesticht, u niet meer bewust van wie ge zijt of hoe ge heet, moet ge langs de ethische com- missie passeren om de zaak te laten beslechten en moeten drie dokters onder eed verklaren dat het geen zin meer heeft, vooraleer ze zeggen: vaarwel, het was plezierig maar het vet is van de soep, de pijp mag worden gedoofd. 
Op datzelfde moment worden honderden, duizenden borelingen krijsend van de tegenzin uit de warme moederbuik geperst, worden zij door de omstanders ‘een wonder’ genoemd en ‘het schoonste op aard’, en worden zij na een jarenlange dril hetzelfde slijkpad op gestuurd dat hun ontelbare voor- gangers vloekend en kermend af zijn gestapt, hunkerend naar wat troost, rillend van de angst en de hopeloosheid, zich afvragend waar en wanneer de knots van de Dood op hun hoofd zal belanden en zij weggerukt zullen worden uit dit koude spiegelpaleis van bedrog en begoocheling, van trouweloosheid en vals, kortstondig geluk, van leugens en aanstellerij. Sommigen – de moedigsten? De lafsten? – maken er eigen- handig een einde aan – zij weten dat alle hoop vergeefs is, dat het geen zin heeft om uzelf voor te houden dat achter de vol- gende hoek de Verlossing u staat op te wachten, u vriendelijk op de schouder kloppend en bezorgd vragend of de reis is meegevallen; hooguit staat het Spook van de Illusie daar, dat met de vinger wijzend zal zeggen: dáár, Oscar, daar liggen ze verscholen, de vreugde en de zorgeloosheid, en dat u dan zal volgen, handenwrijvend als een oude jood die u zopas een stuk geslepen glas heeft verkocht, grinnikend van de voorpret bij de gedachte aan het leed dat u weldra in de nek zal sprin- gen en de ontgoocheling die vervolgens uit uw blik zal spreken. 
Wat maken wij onszelf toch wijs! Hoe fonkelend en veelkleurig is het rad dat wij onszelf voor de ogen draaien! Hoe sterk zijn wij in het bedriegen en het beduvelen – van onszelf, maar net zo goed van zij die na ons komen... Onze kinderen, die wij zonder met onze ogen te knipperen wijsmaken dat het wat worden kan, het leven, als ze hun best doen en als ze de juiste keuzes maken... Dat de momenten van tevredenheid en geluk die zij op hun pad zullen vinden, opwegen tegen het verval, de spijt, de pijn, de boosheid, de wroeging, de afgunst, de radeloosheid, de sleet, de verveling, de onvolmaaktheid, het heimwee, de schrik, de ontrouw, de beproevingen, de leegheid en de treurigheid... Hoe wreed zijn wij, dat wij ze een kaartje enkele reis naar de Dood in de handen drukken, ze glimlachend in de wang knijpen, ze wat lekkers voor onderweg meegeven en ze van op het perron staan uit te wuiven, terwijl de trein krakend en zuchtend in de nacht verdwijnt... Wij kennen hun bestemming, wij weten dat zij nooit zullen terugkeren, dat zij langzaam oud en grijs en kreupel zullen worden, dat zij hun verstand zullen verliezen en dat aan het eind hun knoken zullen kraken en hun gewrichten zullen kriepen, dat zij willoos ‘Koekebakkevlaaie!’ zullen zingen als de monitrice hen daartoe aanport, of ‘Ne Zegel van Valois’, met hun futloze witte handjes moeizaam draaiend in de lucht, en dat zij, leeggevreten door de kanker en lichtblauw van de medicamenten, hun tijd zullen volmaken in een klam ziekenhuisbed, tussen harde, gesteven lakens, starend naar het plafond, zich afvragend waar zij dit geschenk aan verdiend hadden. Kanker is een veelvoorkomende ziekte in dit werelddeel. 
Neen, Fanta. Het leven is niets. 
Nog een tijd lang zult gij denken: die malle oude Oscar met zijn donkere gedachten! Gij zult genieten van het zonnetje en van het klaterende water waar gij uw kleren in wast, van het opstaan in de ochtend en van de luiheid die u ’s avonds be- sluipt, van de vriendschap van uw lieve vriendinnen en van de schoonheid van een lied dat ge samen zingt, terwijl de hoogste noten door de lucht zinderen en gij schaterend van vreugde, hand in hand, door de straten hinkelt, toegewuifd en aangemoedigd door uw dorpsgenoten, die elkaar aanstoten en zeggen: daar, die Fanta, wat een godsgeschenk! – maar spoe- dig komt de dag dat gij zult inzien, uw beteuterde handen vol met verscheurd inpakpapier, u met een laatste blik nogmaals vergewissend van de harde waarheid, dat de doos leeg is, dat ge gefopt zijt, dat ge al uw sommen en opstellen voor niets hebt gemaakt, dat al uw kundes en kunsten vergeefs zijn. 
Er is maar één waarheid, en dat is de sterfput. 
Wacht niet te lang om bij mij te komen, Fanta. Het zal wel niet met het vliegtuig zijn, zoals gehoopt, maar de bestemming blijft dezelfde: de warme omhelzing van uw allerbeste vriend in deze wereld. Misschien wel uw enige. 
Wees moedig. 
Hou van mij, konijntje. 
Vele kussen, lieve Fanta.
Uw alles, 
Oscar 


We mogen van de uitgever Prometheus/WPG België 5 exemplaren verloten onder de juiste inzendingen. 
In de plaats vragen wij een korte review van het boek binnen de vier weken na ontvangst. De reviews komen op ons blog. 
Wil jij dit boek winnen? (je review mag later ook op Hebban, Bol, Bruna etc worden geplaatst)
Geef antwoord op deze 2 vragen: 

Welk personage speelde eerder een hoofdrol in een vorige roman van Marnix en wat was de titel van deze roman?
Mail je antwoord voor vrijdag 21 september naar perfecteburen@gmail.com
Succes en Go Go Go!



Geen opmerkingen: