woensdag 8 februari 2017

Bookflash Boek van de maand 'De Cock en de moord op maat'



Deze maand is de 80e editie van Baantjer Boek van de Maand bij DPB. En dus hebben we allerlei leuke dingen voor jullie. Vandaag de Bookflash, lees deze goed want de prijsvraag volgende week komt uit dit leesfragment!
Veel leesplezier met dit eerste hoofdstuk uit deze feestelijke editie! Dank aan Uitgeverij De Fontein!


Hoofdstuk 1


Met zijn ogen gesloten, zijn lippen getuit en zijn handen devoot gevouwen voor zijn borst leunde rechercheur De Cock achterover in zijn stoel in de grote recherchekamer van het oude politiebureau aan de Warmoesstraat. Schuin tegenover hem zat Vledder, zijn onvolprezen assistent, die hem nauwgezet in de gaten hield. Dit was de karakteristieke houding van zijn oude leermeester als hij diep in gedachten bezig was met een moordzaak die hoognodig moest worden afgerond. Al zou Dick Vledder niet weten over welke zaak De Cock hier zat te peinzen, want ze hadden er geen onder handen. Toen opende De Cock zijn ogen en hij keek Vledder verbaasd aan, alsof hij hem voor het eerst zag die dag. 
‘De aanval is de beste verdediging!’ orakelde hij uit het niets. Vledder werd hier weinig wijzer van. Was De Cock misschien bezig met een moord uit het verleden, die ze indertijd niet hadden kunnen oplossen? 
‘Over welke zaak gaat dit?’ 
‘Een zaak van groot belang!’ Hij drukte zich op uit zijn stoel en liep kwiek naar de kapstok, waar zijn oude regenjas en het verkreukelde hoedje lijdzaam wachtten om door hem te worden uitgelaten. 
‘Volgende maand zijn mijn vrouw en ik dertig jaar getrouwd,’ vervolgde hij. ‘Gefeliciteerd,’ grinnikte Vledder. 
‘Mijn vrouw zal hier ongetwijfeld een feestje voor willen organiseren.’ 
‘Waar jij niet op zit te wachten.’ 
‘Niet in het minst,’ bevestigde De Cock vrolijk terwijl hij zijn regenjas aantrok. ‘Dus moet ik iets organiseren voordat zij kan toeslaan.’ Hij keek zijn jonge collega gewiekst aan. 
‘Ik kies de aanval!’ Hij wilde de kamer al verlaten, toen hij naast het bureau van Vledder een gepakte rugzak zag staan. 
‘Van wie is die rugzak?’ 
‘Van mij.’ 
‘Ga je op vakantie? Daar heb je mij niets van verteld.’ Vledder begon licht te blozen. 
‘Ik ga naar een festival.’ 
‘Wat voor festival?’ 


‘Een muziekfestival. Rock Bottom, twee dagen lang de beste rockbands van de wereld. Heerlijk.’ De Cock zette het hoedje op zijn hoofd. 
‘Jammer dat ik geen tijd heb, Dick, anders ging ik zo met je mee.’ 
‘Maak je geen zorgen,’ grijnsde Vledder, ‘ik ga al met iemand anders.’ De ogen van De Cock lichtten op. 
‘Ah! Nu begrijp ik het. Ik dacht even dat je voor de muziek ging.’ 
Met een lach om zijn lippen wilde hij de recherchekamer verlaten, maar hij werd door Vledder teruggeroepen, want die zat nog met een vraag. 
‘Wat is eigenlijk de aanval die jij gekozen hebt om het feestje van je vrouw te omzeilen?’ 
‘Ik neem haar mee naar Het Concertgebouw.’ Hij keek Vledder triomfantelijk aan. 
‘Hapje eten en dan een concert van haar lievelingsdirigent. We vieren het feestje met z’n tweeën.’ Hij wreef zich tevreden in zijn handen. 
‘Ik ga nu de kaartjes halen, voor ze zijn uitverkocht.’
‘Dat kan sneller via het internet,’ opperde zijn jonge collega. 
‘Dat zal best, maar ik koop mijn kaartjes liever aan de kassa.’ En weg was hij, Dick Vledder in onbegrip achterlatend. De Cock had de tram genomen, dat is op het midden van de dag, als je dwars de stad door moet, vele malen sneller dan met de auto. Bovendien hield hij ervan om op dit tijdstip door de stad te rijden. Als hij ’s morgens naar zijn werk ging, was de tram afgeladen met mensen die net uit hun bed waren gerold en op weg waren naar hun werk. 
Niet echt vrolijk volk. Maar zo overdag was de tram gevuld met jonge mensen en toeristen die vol bewondering keken naar alle monumenten die voorbijkwamen. En ze hadden gelijk, Mokum was er de laatste tientallen jaren een stuk mooier op geworden. Alleen die fietsers, dacht De Cock, daar lijken er elk jaar weer meer van te komen. De tram stopte voor het monumentale Concertgebouw, recht tegenover het Museumplein, waar jonge gezinnen met kinderen zich in de lentezon vermaakten in het gras. 
De Cock stapte uit en stak de weg over naar het voorname muziekgebouw met zijn classicistische voorgevel, en de gouden harp op de punt van het dak. Om de kassa te bereiken moest hij rechts de hoek om langs de glazen nieuwbouw. Tot zijn genoegen constateerde de oude speurder dat er nog steeds veel mensen waren die liever hun kaartje aan de kassa kochten. Nadeel was wel dat hij nog een tijdje in de rij moest staan voor hij aan de beurt was. Hij hoopte maar dat niet iedereen voor hetzelfde concert kaartjes wilde kopen. De Cock stond al tien minuten in de rij, en zag tot zijn opluchting de kassa steeds dichterbij komen, toen zijn telefoon ging. 
Op het schermpje zag hij aan het nummer dat de kit hem probeerde te bereiken. 
‘De Cock.’  
‘Vledder hier. Ik weet niet waar je nu precies bent, maar we hebben een melding van een dode in Het Concertgebouw!’ 
De Cock zuchtte diep en stopte zijn telefoon weer weg. Hij werd weleens moe van de zouteloze grappen die zijn jonge collega zo nu en dan wenste uit te halen. Maar toen ging zijn telefoon meteen weer. 
‘Het spijt me, De Cock, het lijkt een grap maar het is toch echt waar. Er is een jonge vrouw dood aangetroffen in de Grote Zaal.’ 
Zijn stem klonk zo dwingend dat De Cock nu niet meer in een grap geloofde. 
‘Ik zal gaan kijken.’ 
‘Meneer, u wenst?’ 
De oudere mevrouw achter het glas van de kassa keek hem over haar halve brilletje vragend aan. 
‘Pardon?’ 
‘Voor welke voorstelling komt u?’ De Cock twijfelde even, maar haalde toen zijn identiteitsbewijs tevoorschijn en toonde het aan de dame achter glas. 
‘Politie, ik wil nu graag naar de Grote Zaal.’ 
De Cock was in zijn leven niet heel vaak in Het Concertgebouw geweest. De lange, en voor zijn vrouw eenzame avonddiensten waren voor haar doorgaans een reden om met een vriendin een concert te bezoeken. Maar van die enkele keer dat hij haar had begeleid herinnerde hij zich de indrukwekkende ambiance van de zaal, het rijkbewerkte plafond en het imponerende podium waar de groten der aarde hun kunsten hadden vertoond. Van dat grote podium viel nu echter niet veel te zien. Toen hij via een zijdeur de zaal betrad zag hij dat er over de hele breedte van de zaal een rood doek was opgehangen. Het doek hing op ongeveer drie meter hoogte, zodat een groot deel van het podium aan het zicht onttrokken was. De Cock keek om zich heen maar zag nergens iets wat op een vermoorde vrouw zou kunnen wijzen. Zou ze achter het doek liggen, op het podium? Zou iemand dat doek hebben neergelaten om het lichaam te scheiden van de zaal? De Cock voelde een lichte ergernis opkomen. Iemand had zich met de plaats delict bemoeid en dat was toch echt niet de bedoeling. 
‘Wie heeft dat doek daar neergelaten?’ zei hij met lichte stemverheffing, die door de akoestiek van de zaal nog eens werd versterkt en een autoritaire toon meekreeg. 
‘Ik!’ klonk het niet minder autoritair. Uit een van de stoelen, halverwege de zaal, kwam een klein mannetje omhoog. Hij was geheel in het zwart gekleed en droeg zijn halflange grijze haar in een staartje. 
‘Ik heb dat gedaan, en met een goede reden.’ Hoewel de man goed Nederlands sprak was er een licht Duits accent hoorbaar. Hij liep uit de rij naar De Cock toe. ‘En wie bent u?’ vroeg De Cock. 
‘Dat kan ik ook aan u vragen.’ De man keek De Cock parmantig aan. 
‘De Cock, recherche. Het schijnt dat hier een moord is gepleegd.’ 
‘Ach ja.’ Over het gezicht van de man trok een treurig waas. 
‘Die kleine Julia…’ 
‘Dus u bent?’ hield De Cock aan. 
‘Wolfgang, maar dan niet van Amadeus Mozart.’ Het was een versleten mopje, dat de man ongetwijfeld al vele duizenden keren had gebezigd. De Cock glimlachte plichtmatig. 
‘Wolfgang Benzberger.’ 
‘Kunt u mij vertellen waar u het lichaam hebt ontdekt?’ 
‘Nee, nee.’ Benzberger hield afwerend twee handen op. 
‘Ik heb haar niet ontdekt, dat was Karel Waterman, de directeur Artistieke Zaken. Hij ging kijken achter het doek.’
‘Het lichaam ligt achter het doek?’ 
‘Op het podium, ja,’ antwoordde de man, alsof dat vanzelf sprak. 
‘Zullen wij dan ook maar even achter het doek kijken?’ 
‘Maar natuurlijk. Volgt u mij.’ 

Ze liepen om het rode doek heen en betraden het podium via de trap die het midden van het podium met de zaal verbond. Eenmaal op het podium zag De Cock een frêle vrouw half over een cello liggen, als een marionet waarvan de poppenspeler de touwtjes had laten vieren, zodat ze willoos over het instrument was gezakt. Naast haar stond een brede man met een blozend kaalgeschoren hoofd in een zwart pak. Ongetwijfeld een bewaker. De Cock stak zijn hand uit. ‘De Cock, met cee-oo-cee-kaa.’ 
‘Tino de Heer, bewaking.’ 
‘Karel heeft Tino gebeld en Tino belde de politie.’ Tino lachte goedmoedig. 
‘En ik heb ervoor gezorgd dat niemand de plaats delict zou vervuilen.’ 
De Cock klopte hem waarderend op zijn bovenarm. 
‘Heel goed. Ik neem het nu van je over.’ 
‘Als u mij nog nodig hebt, ik zit in de portiersloge.’ De bewaker huppelde het trappetje af en verdween achter het rode doek. De Cock keek naar het ontzielde lichaam van de vrouw en tilde voorzichtig het lange bruine haar op dat futloos langs haar gezicht viel. In de hals van de vrouw zag hij een rode striem, half bedekt door een frivool sjaaltje. De Cock keek op naar Benzberger. 
‘U kent deze vrouw?’ 
‘Ja, maar natuurlijk. Dat is Julia, Julia de Ruyter, dochter van de grote maestro Richard de Ruyter.’ Die laatste naam zei De Cock wel iets. 
‘Is dat geen dirigent?’ 
‘Een grote, zeer grote dirigent, ja. Helaas niet meer onder ons. Te vroeg van ons heengegaan. Net als nu die kleine Julia. Traurig.’
‘Waarom hangt dat rode doek halverwege de zaal?’ wilde De Cock weten. 
‘Dat is normaal bij een voorspel. Er is een vacature voor een cello, moet u weten, en bij de laatste ronde hangen we een doek in de zaal. Wij kunnen dan niet zien wie er speelt en ons geheel concentreren op de muziek. Julia kwam voorspelen. Iedereen moet voorspelen, ook de dochter van de grote De Ruyter. Zij zat achter het doek, maar dat wisten wij natuurlijk niet.’ 
Hij schudde in onbegrip zijn hoofd, waardoor zijn grijze staartje vrolijk mee wipte. 
‘Daar zitten wij dan und wij wilden de klanken horen van het moderato van het celloconcerto van Haydn, u weet wel.’ Hoewel De Cock geen idee had waar de man het over had knikte hij meevoelend. 
‘Maar er kwam niets,’ ging Benzberger verder. 
‘Ik riep nog: Spielen Sie mal! Wij zitten in de zaal op u te wachten. Maar er werd niet gespeeld. Wij dachten de persoon is aan de spanning bezweken. Dus toen is Karel naar het scherm gelopen en vond die arme Julia.’ 

‘Ah, De Cock, je bent er al!’
Van achter het gordijn verscheen de karakteristieke gestalte van dokter Den Koninghe. Hij beklom met een driftig pasje het podium en stapte zonder aarzelen op de dode vrouw af. Hij boog zich over het slachtoffer en zijn pientere ogen achter de ronde brillenglazen namen de situatie onmiddellijk in zich op. ‘Een blinde auditie met fatale gevolgen,’ concludeerde hij. De Cock knikte bewonderend. 
‘Je bent goed op de hoogte.’ Den Koninghe kwam weer overeind en zocht in de zakken van zijn overjas naar zijn latex handschoenen. 
‘Zelfs in het paradijs worden moorden gepleegd,’ zei hij berustend. 
‘Ik heb in dit gebouw zo veel mooie dingen meegemaakt. Zo veel.’ De Cock zag een lyrische blik in de ogen van de oude dokter, die hij nog niet eerder had gezien. 
‘Weten we wie de jongedame is?’ Hij trok zijn handschoenen aan. 
‘Julia de Ruyter,’ meldde Benzberger behulpzaam. 
‘Toch niet de dochter van de grote De Ruyter?’ 
‘Wel degelijk.’ 
‘Ach… Richard de Ruyter. Zijn Bruckner, onvergetelijk…!’ 
‘Jazeker,’ viel Benzberger hem enthousiast bij. 
‘En zijn Vijfde van Mahler was toch ook een belevenis.’ 
‘Zeker, zeker…’ Den Koninghe haalde adem om nog een aantal voorbeelden te geven van de grootheid van de vader van de betreurde Julia, maar De Cock kuchte en de dokter begreep dat er iets anders van hem werd verlangd. Hij ging door zijn knieën en onderzocht het lichaam oppervlakkig. Terwijl Den Koninghe bezig was arriveerden de collega’s van de forensische dienst onder leiding van Ben Kreuger. Ben, die nergens meer van opkeek en in zijn lange loopbaan op elke plek in Amsterdam naar sporen had gezocht, keek vorsend om zich heen.
‘Kan jij ervoor zorgen dat die toegangsdeuren naar de zaal gesloten blijven, De Cock? Ik zou niet graag zien dat straks de hele fanfare door mijn plaats delict dendert.’ 
Zowel Den Koninghe als Benzberger kon een zucht van ergernis niet onderdrukken. 
‘Fanfare,’ mompelde Den Koninghe hoofdschuddend terwijl hij met enige moeite overeind kwam. Ben grijnsde en opende zijn koffertje. 
‘Ik zal Vledder vragen de zaal te laten afsluiten,’ antwoordde De Cock, die wel wat anders aan zijn hoofd had. 
‘Hij kan hier elk ogenblik arriveren.’ 
‘Nou, dat kan nog wel even duren, De Cock. Het is stervensdruk op straat.’ 
De Cock keek op zijn horloge en haalde gelaten zijn schouders op.

***

Nieuwsgierig? Dit boek is Boek van de Maand en op Facebook te winnen. Ben je nog geen lid maar wil je wel kans maken? 
Meld je dan HIER nu aan op onze groep, gezellig! Er komt een prijsvraag n.a.v. dit leesfragment!

Geen opmerkingen: