woensdag 24 januari 2018

Gewoon Anne-Laure ...






Solden, koopjes, opruiming… ik heb er een hekel aan. Hysterische koopjesjagers en rommelige winkels zijn niet mijn ding. Met twee pubers in huis die sneller groeien dan de gemiddelde kool, moet ik het erop wagen.

Zoonlief heeft dringend broeken en truien nodig, dus kuieren we door de mannenafdeling. Al snel blijkt dat onze smaak niet meer overeenkomt. Vroeger kocht ik wat ik tof vond en hij trok het zonder morren aan. Die tijden blijken nu vervlogen. Zijn kleding moet aan een bepaalde standaard voldoen. Een standaard waar ik duidelijk geen voeling voor heb.

‘En wat vind je van deze trui?’ Ik steek een effen groene trui op, als een neutrale witte vlag en kijk naar het gezicht van zoonlief om zijn reactie te peilen.
‘Komaan, mama, dat is niet voor mijn leeftijd.’ Hij facepalmt me. (voor wie nog niet bekend is met het werkwoord facepalmen: zoonlief slaat met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd en aangezicht, als in: moeder, doe niet zo dom.)
‘Ah, pardon.’ Ik hang mijn poging tot neutraliteit weer op het rek.
Mijn kennis van mode is belabberd en mijn hipheid beperkt zich tot het dragen van sportschoenen, voornamelijk omdat hakken een struikelblok vormen.

Vier truivoorstellen en vier facepalmen later, laat ik hem achter om mijn dochter te zoeken. Dochterlief staat ondertussen bij de vrouwenkleding en keurt een jasje dat net iets te hoog op het schap ligt.  ‘Dat is mooi.’ Ze wijst een pluizig ding met fopluipaardenprint aan.  Ik pluk het ding van het schap.
‘En dertig procent korting,’ zegt ze.
‘We zullen zien,’ zeg ik neutraal. Geen facepalm, dat valt mee.

Ik loop terug naar zoonlief die ondertussen twee truien heeft gevonden.
Nu nog broeken. Ik haal een jeans uit een stapel en schat de maat die hij nodig heeft. 27/32. Met de twee truien en drie jeansbroeken trekken we naar de pashokjes.
Dochterlief heeft haar fopluipaardenjasje meegezeuld. ‘Het is zo zacht, mama. Voel eens.’
Het is inderdaad zacht. Ik kijk naar de prijs en probeer uit te rekenen hoeveel die 30% korting bedraagt. 

‘Mama, te kort.’ Zoonlief stapt het pashokje uit. De broek past aan de taille wel, maar hij heeft ‘water in de kelder’. Het valt me nu pas op dat hij twee verschillende sokken aanheeft. Hij heeft nu eenmaal veel éénlingen.
‘Wacht, ik haal een langere broek.’ Dan valt het alvast niet meer op dat hij zijn sokken mixt en niet matcht.

‘Mama?’ Dochterlief zit op het bankje van de paskamers en aait nog steeds het jasje en kijkt me poeslief aan. Da’s waar. Ik was aan het uitrekenen hoeveel 30% was. Maar zoonlief staat in zijn onderbroek te wachten op een broek die langer is.
Ik besluit prompt om er een educatief uitje van te maken.
‘Als je kan berekenen hoeveel 30% korting is, dan kopen we het,’ zeg ik tegen dochterlief. Het is gemeen. Het kind heeft problemen met rekenen. Dat is genetisch. Van moederskant. 
Eerst zie ik een flits van hoop verschijnen in haar ogen, maar meteen erna beseft ze dat ze zal moeten rekenen.
‘Dan niet.Zuchtend legt ze het pluizig ding naast zich neer.
‘Hier is pen en papier.’ Ik overhandig het boekje dat ik altijd meesleep, waar voornamelijk ideetjes voor toffe moorden in staan en blader naar een lege pagina (het is namelijk geen geschikt moment om haar op ideeën te brengen).
‘Hier. Reken maar uit.’ Ik duw pen en papier in haar handen.

Ik loop weer naar het rek met broeken en zoek naar een maat 27/34, die onvindbaar blijkt te zijn. Uiteraard. Lang en heel smal is blijkbaar commercieel niet interessant. Of hebben alle mannen zulke korte beentjes? Dat is me nog niet opgevallen. Dan maar een 28/34 meenemen.

Ik loop weer naar het pashokje waar zoonlief tussen een puinhoop van kleren zit. Kleding weer opvouwen of ophangen blijkt niet in zijn planning te passen. Hij keutert aan zijn nagels.
Dochterlief komt voor mijn neus staan. ‘Ik gok…’
‘Nee, niet gokken. Ik wil een berekening zien,’ wijs ik haar terecht.

Zoonlief past ondertussen de 28/34. De lengte is prima, maar als hij zijn broek loslaat, hangt die ergens op zijn enkels.
Dilemma van de dag: water in de kelder of broek op de enkels?
‘Misschien met een riem?’ oppert hij.
‘Prima. Een ceintuur.’ Ik ren weer door de winkel. Riemen zijn niet in afslag, uiteraard.

Dochterlief zit met haar handen in de haren, gebogen over een blaadje papier waar pogingen tot berekeningen staan, die vervolgens doorgehaald zijn.
‘Ik denk dat het 18 is.’
Shit. Ik moet rekenen. 30% van hoeveel? Ik weet het niet meer.

Ondertussen laat ik zoonlief de broek weer passen met de riem erbij. Eureka. Het past. ’10% van 60 is 6. Dus 3x6 is 18,’ zegt dochterlief.
‘Goed zo!’
Haar ogen blinken weer. ‘Dus mag het?’ vraagt ze.
Ik knik.  

Terwijl we naar de kassa lopen zie ik nog een leuke trui hangen. Mijn maat en 30% korting. Dat is… euh… Foert. Ik gooi de trui op de toonbank. Dit heb ik verdiend. 

Geen opmerkingen: