vrijdag 27 april 2018

Inge dichtbij ... Waarom ik mijn tweede roman schrijf – deel 2






Een andere cultuur opsnuiven is iets wat we doen als we naar verre oorden reizen. Meestal blijft het bij ‘opsnuiven’; het exotische eten, de extreme warmte of kou die we niet gewend zijn en de andere gewoonten en gebruiken van de mensen waarover we ons nog kunnen verbazen. We genieten voor de duur van onze reis van al dat ‘vreemde’, genieten thuis nog even na met de foto’s, een laatste snufje vakantiegevoel en dan keren we terug naar onze dagelijkse routines en vertrouwde stamppot.

Als je, zoals ik, besluit om een roman te schrijven over en zelfs vanuit zo’n andere cultuur, kun je het niet bij ‘opsnuiven’ laten. Je moet je verdiepen, jezelf onderdompelen in dat ‘vreemde’ en dat is tegelijkertijd verruimend en benauwend. Verruimend omdat ik zoveel nieuws leer, omdat ik dichterbij kom en daardoor het ‘vreemde’ steeds minder vreemd vind. Dat ervaar ik als iets goeds. Ik praat met mijn Marokkaanse vriendin en haar man en dochters, we komen bij elkaar over de vloer, zijn samen op reis geweest; de verschillen verdwijnen en de overeenkomsten verschijnen. En als ik daaraan denk dan lukt het, dan lukt het me om te schrijven vanuit Marokkaans perspectief omdat mijn personages op mij lijken en ik me in hen kan verplaatsen. Dan verzin ik verhaallijnen, karaktertrekken en plotwendingen en stroomt het verhaal als vanzelf uit mijn typende vingers. Dan hoop ik dat ik het verhaal krachtig genoeg vertel, zodat straks alle lezers, allochtoon en autochtoon, het goed zullen vinden, erdoor geraakt worden.






Benauwend is het als er een kritisch stemmetje mijn hoofd binnensluipt dat zegt: ‘Jij gekke schrijver, zo denken wij niet, zo doen wij niet.’ Dan krijgen de verschillen ineens de overhand en is het net alsof de personages mij wegduwen. ‘Jij weet niets van ons, jij hoort niet bij ons, hou maar op.’

Ik kan je verzekeren dat op zulke momenten het schrijven, ploeteren met een hoofdletter P wordt. Dan wil ik het liefst stoppen en aan mijn derde boek beginnen waarvan de ideeën zich steeds sterker naar voren dringen. Maar zo ben ik niet. Zo mag ik van mezelf niet zijn. Dan is het net alsof ik alleen maar op vakantie was in dit tweede boek, een tijdelijke passant, die, toen het te moeilijk werd, gauw terugkeerde naar de bekende stamppot.

Ik heb het mezelf ook niet gemakkelijk gemaakt met drie verschillende perspectieven (in mijn eerste roman waren het er twee -moeder en dochter- ook al was me dat ten zeerste afgeraden door een toenmalig docent), maar als het me lukt dan geeft die opzet -grootmoeder, moeder, kleindochter- wel een extra dynamiek aan het verhaal. Elke generatie heeft eigen ideeën, waarden en normen en dat die botsen geeft juist stof tot schrijven.

Misschien reik ik wel te hoog, ligt het in deze fase van mijn schrijverschap nog niet binnen mijn macht, wil ik iets wat ik nog helemaal niet kan. Misschien… een fijn woord vind ik dat, want het laat een kiertje open. En dat kiertje nodigt uit om het tóch te proberen. Elke schrijver moet zichzelf dat kiertje gunnen. Want wat is het ergste dat er kan gebeuren? Dat ik een slecht boek schrijf? Dat ik slechte recensies krijg of boze brieven van lezers? Dat mijn uitgever me aan de kant zet? Oei, ja, dat zijn wel erge dingen. Maar lang niet zo erg als de vooroordelen en het onbegrip dat nog altijd bestaat tussen mensen van verschillende afkomst, aan beide kanten. Dat hardnekkige wij-zij gevoel.

Mijn vriendin vertelde mij een keer dat toen ze in Nederland kwam, op 16-jarige leeftijd (ze sprak de taal niet, kende niemand behalve haar man en zijn familie), ze een overweldigende behoefte had om ‘erbij’ te horen. Terug naar huis was geen optie; ze kwam hier niet op vakantie, ze kwam hier om een bestaan op te bouwen. Haar eerste ontmoeting buiten haar kleine kringetje was met een strenggelovige Marokkaanse vrouw die haar vertelde dat ze geen spijkerbroek moest dragen maar een hoofddoek. Wat doe je dan als je erbij wilt horen? Luister je dan naar degene die je kent, die zegt jou te kennen? Of luister je dan naar … Ja, naar wie eigenlijk?

Nu, vele jaren later, luistert ze naar mij en ik luister naar haar, zij bekijkt mij en ik bekijk haar. We zijn anders en toch hetzelfde. Ooit vreemden, nu passen haar dochters op mijn kinderen en ga ik naar de bruiloft van haar dochter.

En daarom werk ik verder, schrijf ik door. Omdat ik dit verhaal wil vertellen, zowel voor mijn vriendin als voor mezelf en hopelijk voor vele andere mensen. Ik zoek voor en via mijn personages in het boek naar houvast, naar betekenis. Ik schrijf niet om op te snuiven, maar om te verankeren, om te blijven, om erbij te horen.

Inge van der Krabben



Geen opmerkingen: