dinsdag 26 juni 2018

'Tweeluik' - Marc-Jan van Dam



Wie helpt Marc-Jan aan een leuke, passende titel voor zijn tweeluik?

Ha lieve lezers! Dit is het eerste verhaal in een tweeluik. Ik heb de verhalen beide nog geen naam gegeven. Nu zijn het slechts ‘Tweeluik(1)’ en ‘Tweeluik(2)’. Nu vraag ik jullie hulp! 

Weten jullie een titel die bij deze verhalen past? (voor elk verhaal een titel) Zet deze dan in een reactie onder dit Facebookbericht in de BESLOTEN groep van 'De Perfecte Buren'. De persoon die de leukste titel verzint, krijgt van mij, Marc-Jan, een leuk presentje! 



Tweeluik(1)
Zijn eeltige vingers houden het kopje stevig vast, bang dat de omgevallen melk het mee zal sleuren in zijn stroom naar de rand van de tafel. Dat de melk minimaal tien centimeter van zijn linkerhand verwijderd is, merkt hij niet op. Met samengeknepen ogen kijkt hij naar het tafereel van voorwerpen die één lijken te worden met de melk. Zijn ietwat uitpuilende ogen, lodderig van de vele drank die hij de afgelopen nachten genuttigd heeft, lijken nog het meest op die van een rat. Rood en compact, alsof er elk moment een straaltje bloed uit kan komen sijpelen. 
Met zijn wijsvinger schiet hij een week geworden stukje cornflakes uit zijn baard, die met een kleine plons in de melk belandt. Hij grinnikt. De kraaienpoten bij zijn ogen worden ietsjes groter en de hoeken van zijn dikke lippen krullen omhoog. Een rij gele tanden, het resultaat van dertig jaar lurken aan de doodstaafjes van Camel, laat zich zien. Zijn lach smelt weg wanneer een sloophamer zijn hersenen lijkt te terroriseren. Steunend en kreunend buigt hij zich voorover en pakt hij het doosje pijnstillers. De druppels melk schudt hij van het doosje af waardoor deze vervolgens op zijn roodzwart geblokte houthakkersblouse landen, die deze druppels meteen absorbeert. Met één oog dichtgeknepen kijkt hij toe hoe hij het doosje leegschudt. De strips die uit het karton komen zijn stuk voor stuk leeg. Hij vloekt inwendig. Enkel omdat zijn stem geen geluid voortbrengen kan. Het pakje gooit hij opnieuw naar de melk. Zuchtend haalt hij dan zijn brede schouders op terwijl hij, bij gebrek aan beter, een fruitsnoepje van Runts in zijn mondhoek duwt. Smakkend kijkt hij voor zich uit, krabt aan zijn ontblote kruis, haalt zijn hand door zijn grijze haren en staat dan wankel op. Zijn rechterbeen wordt gesierd door grote littekens en een zwarte spalk die hem verbiedt zijn knie te buigen. Mank loopt hij naar de andere kant van de tafel. Uit de grote glazen kan met water neemt hij enkele grote slokken. Hij zet de kan met een klap terug op de tafel waarna hij zich opnieuw naar de stoel begeeft. De gordijnen zijn geopend en dat de voorbijlopende mensen hem zien, gekleed in alleen een blouse, zijn jongeheer ontbloot, doet hem vrij weinig. Met een zucht zakt hij weer op de stoel en kijkt hij roerloos voor zich uit.
         
Marc-Jan van Dam
recensent en auteur voor De Perfecte Buren
@Marc-Jan van Dam op Facebook
@mjvdam op Instagram




Tweeluik(2)

Toen hij op die eerste dag van maart 1970 wakker werd naast zijn vrouw en zijn benen over de rand van het ledikant wilde gooien, voelde hij een snijdende pijn in zijn rechterbeen. Zijn knie en scheenbeen betastend hoopte hij de oorzaak van deze onverwachte pijn vast te stellen.
‘Is het kanker?’ vroeg hij zich af toen hij enkele minuten later voor de spiegel zijn been opnieuw bevoelde. Hij had de pijn echter niet opnieuw ontwaard en besloot het voorval maar te vergeten.

***

Ruim op tijd om naar de kerk te kunnen had hij de tafel gedekt. Zijn bord tegenover dat van zijn vrouw, op de kop het serviesje van hun zoontje. Zo stond het altijd, als in een onbreekbare drie-eenheid. Vandaag was het anders. Zijn vrouw, normaal uitbundig uitgedost voor de zondag, kwam in enkel haar witte nachtjapon aan tafel en ging zitten op de stoel schuin voor hem. Vrijwel meteen stond ze weer op waarna ze een bord en bestek pakte.
Daar zaten ze dan. Hij aan de linkerkant van de tafel, zij daar schuin tegenover en op de kop hun kleine dreumes. Er hing een haast onverbreekbare stilte tussen hen in. De kleine jongen begon, als was het een teken van de onnatuurlijke situatie, hartverscheurend te huilen. Het hielp echter niet, veroorzaakte geen barstjes in de stille massa die onbreekbaar op hen drukte.
‘Is er iets schat?’ Hij gaf de stilte woorden, trachtte deze te doorbreken. Het waren loze woorden, enige betekenis was hen vreemd. Het antwoord was al bekend. Hij wist het. Hij wist dat zij het wist. Ze wisten het beiden.
Waar zij eerst roerloos naar haar bord had zitten staren, begon ze nu een broodje te smeren. Haar bewegingen waren rustig. Te rustig. De roomboter op haar mes, nog hard, trok haar brood tijdens het smeren in flarden. Ze stopte, legde in stilte haar mes neer en keek hem aan. Koud. IJzig.
Ook hij stopte met bewegen. Ze bevestigde het. Ze wist het.

Afgelopen vrijdag was het gebeurd. Na twee jaar was hij ontdekt. Het was een vrouw uit de kerk. Onder het rode licht van de ramen, her en der gedimd door een zwart gordijn waar een klant werd geholpen, stond ze. Samen met enkele andere overijverige vrouwen uit andere kerken sprak ze de vrouwen aan. Zijn werknemers, zijn meiden. Twee jaar had hij zijn geld ermee verdiend. Twee jaar ging alles goed. Alles liep in de soep door één overdreven gemotiveerd vrouwtje dat zijn naam te weten kwam en hem confronteerde met haar ontdekking. Ze kende zijn vrouw, zijn zwakke punt. Ondanks zijn dreigen, het tonen van zijn gebalde vuist voor haar neus, had haar moraal het gewonnen. Ze was uit de school geklapt.

‘Wat wil je dat ik zeg?’ Zijn stem klonk ondanks zijn teleurstelling vast. Ze pakte haar mes weer op en smeerde jam op haar brood. Ze nam een grote hap en stond op, haar mes stevig in haar hand. ‘Ik wil,’ begon ze terwijl ze naar hem toe liep, ‘dat je niets zegt. Woorden doen niets.’ Ze klemde haar vingers nog eens iets steviger om het mes. ‘Ik wil dat je voelt!’ Terwijl ze dit zei drong ze met het mes diep door in het vlees van zijn rechterbeen. Zijn gillen verbrak eindelijk de stilte. Haar steken, steeds weer opnieuw gaf haar voldoening. Het rode bloed vermengde zich met de restjes jam die op het mes klonterden.

Marc-Jan van Dam
recensent en auteur voor De Perfecte Buren
@Marc-Jan van Dam op Facebook
@mj_vdam op Instagram



Geen opmerkingen: