donderdag 13 juni 2019

Boek van de Maand 'Hoek' - Bookflash en KNALWIN actie!!





HOEK van Donald Nolet is - voor de vakantie - ons laatste Boek van de Maand.
Dankzij Uitgeverij Cargo sluiten wij af met een KNALLER van een winactie. Van HOEK mogen wij maar liefst 10 (ja, je leest het goed!) exemplaren weggeven aan jullie, onze volgers. Als dat geen feest is! 

Wil jij er eentje winnen lees dan goed het leesfragment, beantwoord de vraag onderaan en doe mee. 
Wie niet waagt...…. 


Rond elk doolhof vind je gidsen. Hier werden ze uithalers genoemd. Een passende naam voor mensen die je ergens doorheen loodsten, maar je ook hielpen iets op te halen. Voor het juiste bedrag stapte je bij ze in de auto, bijvoorbeeld op een zwoele zomernacht als deze, en reed je mee door het grootste labyrint ter wereld. Door smalle en slecht verlichte straatjes, langs eindeloze hoeveelheden steigers, loodsen en aanlegplaatsen, tot je alle gevoel van richting kwijt was; je enige houvast een horizon van tientallen hijskranen die als metalen reuzen in stilte hun werk deden. Badend in schel licht, hun gespierde armen heen en weer bewegend tussen aangemeerde schepen en de kade. In hun klauwen één of meerdere zeecontainers, die zich voegden bij
de andere rechthoekige dozen op de kade, opgestapeld als legoblokjes. 
In een van die containers zaten de spullen waar Alexander Holman voor was gekomen. De uithaler, die naast hem achter het stuur zat, stamde uit een familie die al generaties in de Antwerpse haven werkte. Nadat opa’s, vaders en ooms hun ruggen en wil hadden versleten voor een hongerloontje vonden de kleinzonen en neefjes een lucratievere, maar ook gevaarlijker manier om geld te verdienen.
De jongen, veel ouder dan twintig kon hij niet zijn, keek voor de zoveelste keer met grote bruine ogen in zijn achteruitkijkspiegel. Kleine druppeltjes zweet liepen langs de opgeschoren zijkanten van zijn hoofd. Holman kon zich de overduidelijke zenuwen van de jongen goed voorstellen. De haven was enorm, bijna een provincie op zich. Een lappendeken aan verschillende jurisdicties maakte het voor de autoriteiten jarenlang onmogelijk om de mazen in het net te dichten. De laatste tijd was er in de kranten echter steeds vaker sprake van ‘de grootste vangst ooit’. 
Ook Holman wierp een blik in de kleine spiegel boven hem en zag daar zijn eigen doolhof aan kraaienpoten, dat zich vanaf twee blauwe ogen verspreidde over zijn gezicht. Hij draaide zijn lichaam en keek door de achterruit. Een kleine vrachtwagen sloeg net de hoek om. In het licht van de koplampen kon hij net de silhouetten onderscheiden van een bestuurder en bijrijder. Holman had goede back-up. Hartem, de potige Armeniër, en Barry, het tanige straatschoffie uit Amsterdam, hadden zich de afgelopen jaren letterlijk en figuurlijk omhooggeknokt. Hij keek weer voor zich. 
‘Je zei twintig minuten rijden,’ merkte hij op. ‘Het is al een halfuur.’
De reis vanuit Amsterdam was vlot verlopen. Holman, Barry en Hartem hadden zich dan ook een uurtje eerder gemeld op het afgesproken punt – iets waar de uithaler niet blij mee leek te zijn. De jongen mompelde een paar woorden. Spande zijn vuisten strakker rond het stuur. Holman verstond iets wat klonk als ‘diha’ en ‘rassek’.
‘Alles oké? Tout est bien?’ vroeg Holman.
‘Bijna daar,’ klonk het aarzelend naast hem. De jongen begon te bibberen. Zijn ademhaling werd onregelmatig. De auto sloeg rechts af. Tien meter voor hen doemde een metershoog hek op. Achter het hek, op de verduisterde kade, zag Holman de contouren van tientallen containers. De grote betonschaar die achterin klaarlag gingen ze niet nodig hebben. In het midden van het hek zat een gat van meerdere meters hoog en breed. Een enorme lap opengeknipt gaas lag uitnodigend voor hen op het asfalt, als een rode loper van gevlochten metaal.
Een plotselinge bundel licht trok Holmans aandacht. Bij een van de containers op de kade regende het vonken. Die gaven net genoeg licht om drie mannen te onderscheiden, met naast hen een flinke bestelbus. Een van de mannen had een voorwerp in zijn handen dat eruitzag als een lasapparaat. De uithaler trapte op de rem en reikte naar zijn binnenzak. De hand kwam naar buiten met een wapen. Holmans reactie was instinctief. Terwijl zijn rechterhand de dunne pols voor hem in een ijzeren greep nam gooide hij zijn schouder tegen het lichaam van de jongen. Een knal. 
De ruit aan zijn kant van de auto versplinterde tot een spinnenweb van glas. Holman negeerde het suizen in zijn oren, trok met zijn rechterhand de arm van de uithaler naar zich toe. Keek naar het wapen. Glock 19. Negen millimeter. Een en al polymeer, als een speelgoedpistool. Met zijn linkerhand duwde hij de elleboog van de jongen een onnatuurlijke richting uit. Met een gil van pijn liet de uithaler het wapen los. In een vloeiende beweging volgde Holman met een elleboog richting het hoofd. 
‘Herres!’ klonk een gemoffelde schreeuw, terwijl de jongen twee handen tegen zijn bloedende neus hield. Holman dook voorover, in het duister tastend naar het gevallen wapen. Zijn vingers vonden de kolf. Hij griste het wapen van de vloer, duwde de loop tegen de schouder van de jongen aan en schoot. Weer een gil. Weer een knal. Zachter dan de eerste, omdat het lichaam van de uithaler het geluid dempte. Holman pakte het stuur over, terwijl de jongen begon te huilen van de pijn, een hand op zijn neus, de andere nu op zijn schouder in een poging het bloeden te dempen. Holman tilde zijn linkervoet over de middenconsole heen. Gelukkig was de auto een automaat. Hij trapte op de voet die zich nog op het gaspedaal bevond. Ze schoten vooruit, door het gat in het hek, recht op de drie mannen af, die vluchtten in het licht van de koplampen. Met een klap kwam de auto tegen de container tot stilstand. 
Holmans lichaam gehoorzaamde de natuurwetten en katapulteerde naar voren, om daarna door de strakgespannen autogordel hardhandig terug in zijn stoel te worden gekwakt. Een pijnscheut zette zijn middenrif in brand. Zijn hoofd knakte naar voren en veerde terug. Hoestend zocht hij naar adem. Vanuit zijn ooghoeken zag hij dat de uithaler hem aankeek, zijn adem oppervlakkig, pareltjes zweet op zijn voorhoofd. Holman klikte zijn autogordel los. Keek om.
Het busje stond er nog. Waarschijnlijk hadden de drie mannen zich erachter verschanst. Vlak voor het gat in het hek stond de vrachtwagen van Barry en Hartem, dwars geparkeerd. Niemand meer achter het stuur. In een flits verscheen het hoofd van Hartem om meteen weer te verdwijnen. Slim. Ook zij gebruikten hun voertuig als een muur tussen henzelf en wat er op de kade stond te gebeuren. Holman klikte de gordel van de uithaler los, opende het portier aan de bestuurderszijde, duwde hem naar buiten en viel er zelf half achteraan. Daarmee had hij twee muren tussen hem en de drie bewapende mannen. Eentje van metaal en het menselijke schild dat bloedend en schreeuwend naast hem lag.
Een patstelling, die hem de kans gaf zijn gedachten op een rijtje te krijgen. Hij kende de verhalen. Sommigen van deze uithalers hadden hun eigen manier om het hele zaakje nog winstgevender te maken. Voordat ze hun klanten naar de juiste container loodsten hadden ze die zelf al leeggehaald. De ruzie ontstond dan tussen de leveranciers, vaak ergens in Colombia, en de afnemers hier, terwijl de tussenpersonen er met het spul vandoor gingen. Een geintje dat je maar een paar keer kon flikken voordat het begon op te vallen. En natuurlijk moest je timing kloppen. Een hoofd verscheen vanachter de bus, om net zo snel weer te verdwijnen. De uithalers waren zelden een bijeengeraapt zooitje. Grote kans dat er onder de drie mannen bloedverwanten van deze jongen zaten. 
‘Hé!’ riep Holman in de richting van het busje. ‘Jullie bestuurder is gewond. Een kogel in zijn schouder, maar hij leeft nog. Dus jullie gooien nú je wapens waar ik ze kan zien. Wij halen de spullen waar we voor zijn gekomen. Dan gaan we weg. Duidelijk?’
Stilte. Vijf seconden. Tien. Holman sloeg met zijn kolf op de bloedende schouder. Een gil kliefde door de nacht. De reactie was onmiddellijk.
‘Stop! Stop! We doen het al!’
Twee stukken metaal gleden over de gladde, harde ondergrond een aantal meter zijn richting uit. Hielden ze er nog één of meerdere achter? Er was maar één manier om daarachter te komen. Hij zag Hartem en Barry weer in de cabine van de vrachtwagen verschijnen. De motor startte. De vrachtwagen draaide en reed achteruit door het opengesneden hek, begeleid door een volkomen ongepaste repeterende pieptoon. 
Hij stopte links naast de auto die Holman net total loss had gereden. In het licht van de lampen zag Holman dat de ketting waarmee de container was vastgemaakt al op de grond lag, met dank aan het laswerk van de andere drie. Barry en Hartem stapten uit, pakten de hendel vast. Met een schurend geluid trokken ze de deur open en gingen naar binnen. Als het goed was, vonden ze onder een paar duizend kilo bananen wat ze zochten. 
Vanuit zijn beschutte plek hield Holman het busje in de gaten, afgewisseld met snelle blikken richting de container. Daar verschenen Barry en Hartem weer, de een na de ander, beiden met een kist in hun handen. Holman richtte zijn aandacht weer op het busje. Hoorde alleen het geluid van voetstappen, die meerdere keren heen en weer liepen. 
‘De laatste,’ riep Barry.
Holman knikte. De uithaler was nog bij bewustzijn. Holman pakte een van zijn slappe armen en duwde de hand tegen de wond.
‘Hou hem daar.’
Hij liet los, kwam overeind. Zo snel als hij kon overbrugde hij de paar meter naar de vrachtwagen, zijn rug onbeschermd, terwijl Hartem en Barry in de cabine klommen. Holman wurmde zich erbij, sloeg het portier dicht. Hartslag als een mitrailleur. Hartem zat achter het stuur en trapte het gaspedaal in. Protesten van de motor, die te snel te veel toeren moest maken. Ze schoten door het gat in het hek. In de achteruitkijkspiegel zag Holman drie mannen in de richting van het bewegingloze lichaam op de grond rennen. De uithaler. De gids die ze tot hier had gebracht. Zelf hadden ze geen navigatie. Geen van de drie had zijn telefoon bij zich. Werd je gepakt, dan kon alles wat op die dingen stond tegen je worden gebruikt. Hij richtte zich tot Hartem.
‘Lukt het je om hier zelf uit te komen?’
De Armeniër antwoordde niet.
‘Hier rechtsaf,’ riep Holman. Hartem draaide aan het stuur.
‘Volgende meteen links en dan een kilometer rechtdoor.’
Hij ging door met aanwijzingen geven, terwijl de vrachtwagen zijn weg terug door het verlaten doolhof zocht. Tussen zijn korte instructies door bleef het stil in de cabine. Twintig minuten later schoten ze een smalle straat uit. Verderop lonkte een goed verlichte snelweg. Een glimlach verscheen op Hartems gezicht.
‘Hoek, goed werk,’ riep Barry opgelucht. ‘André zegt het altijd, die gast heeft een geheugen als een olifant. Je hebt ons er gewoon helemaal doorheen geluld. De menselijke tomtom.’
Hartem knikte. Stak zijn duim op.
‘Yes!’ riep Barry. Hij wisselde een high five uit met Hartem.
‘Fokking hel, man. Die rit terug was bijna nog spannender dan met die uithalerklootzakken.’
Ze voegden in op de snelweg. Op het bord boven hen stond Breda al aangegeven. Nog even en Amsterdam zou er ook op staan. Holman voelde de adrenaline wegvloeien, terwijl pijn en vermoeidheid boven kwamen drijven. Zijn ribben hadden een flinke opdonder gekregen. En de val uit de auto had zijn rug geen goed gedaan. Hij voelde aan de inmiddels opgedroogde bloedspetters op zijn zwarte trui. Keek naar de twee mannen naast hem. De bravoure was weer terug, alsof het afgelopen halfuur in één keer was uitgewist. Ze hadden de spullen waarvoor ze waren gekomen. Geen gaten in hun lichaam. Alles was goed. 
Zelf liep hij al te lang mee om er zo makkelijk overheen te stappen. Ooit namen mensen in het wereldje nog weleens hun verlies. Haalden hun schouders op, en gingen verder. Die tijden waren voorbij. De laatste jaren ontvouwde zich steeds vaker een dodelijk, escalerend spel van actie en reactie. De een steelt van de ander. De ander verwondt daarop de een. De een doodt vervolgens de ander. En zo verder. De zogenaamde experts hadden het over machojochies die achten dat ze Scarface waren. Over geschonden eergevoel. De angst om zwak over te komen. Holman had daar een ander, simpeler idee over. De afgelopen dertig jaar was er het nodige veranderd. Eerst kwamen de Joego’s. Daarna volgden de Oostblokkers, Italiaanse maffia, Turken en Marokkanen. Allemaal vechtend om dezelfde markt. Uiteindelijk draaide alles om geld. De pot met goud aan het einde van een bloederige regenboog.
‘Hé, man, is er iets?’ vroeg Barry.
‘Nee, niks. Alles oké.’
Holman begon te rekenen. Twee uur terug naar Amsterdam. De vangst van vanavond afleveren op de afgesproken plek. De gestolen vrachtwagen ergens in vlammen achterlaten. Met een beetje mazzel kon hij nog net een paar uur slaap pakken voordat hij weer les moest geven.

Leesfragment goed gelezen? Dan weet je vast het antwoord op deze vraag:

Waar staat de pot met goud?

Stuur je antwoord naar perfecteburen@gmail.com voor zondag 23 juni middernacht met in het onderwerp 'HOEK'.

Vermeld in je mail je adresgegevens EN je gebruikersnaam op FB.
Verder dien je lid te zijn van onze besloten groep daar. Ben je dat nog niet? (hoe kan dat nou?) Klik dan HIER en het is zo gefikst.

Geen opmerkingen: