zaterdag 31 augustus 2019

Zomercolumn - Nathalie Pagie ... Noordkaap







Wat doe je als je volgende boek op de Noordkaap speelt en je bent er nog nooit geweest? Dan ga je er naar toe! Eind juli zijn mijn man Martijn en ik samen een week in het noorden van Noorwegen geweest, met als hoogtepunt een bezoek aan de Noordkaap, het noordelijkste punt van het land en meteen ook van Europa. Om meerdere redenen een geweldige ervaring.





Voordat we op de kaap aankwamen, bleven we eerst een paar nachten in Tromsø Het ‘Parijs van het Noorden’, noemen ze deze stad. Tikje overdreven, als je het mij vraagt. Er zijn meer zeemeeuwen te zien en vooral te horen dan mensen, het is er klein en winderig en het aantal restaurants is op twee handen te tellen, máár we hebben ons er toch prima vermaakt. De 60 km fjordentocht op onze huurfietsen was ronduit prachtig, het uitzicht op de stad vanaf de kabelbaanberg is indrukwekkend en alleen al de gevulde champignons in restaurant Cous Cous zijn een herhaalbezoek waard.

Vanuit Tromsø voerde de reis naar Alta, zes uur met de bus richting het noordoosten. Een prachtige tocht door sprookjesachtig heuvellandschap, maar ik geloof dat dat voor heel Noorwegen geldt. Het was mijn eerste keer in dit land en het heeft me echt verrast. Er is rust en ruimte, je bent veel buiten en je kunt er echt ademhalen. De Noren zijn wat stug, het cliché is waar, elkaar groeten op straat is er beslist niet bij, maar achter die eerste muur zit – meestal – toch een vriendelijk persoon dat zeer bereid is je de weg te wijzen. Naar het RockArt museum in Alta bijvoorbeeld, met rotstekeningen van wel 7000 jaar oud, in alweer een prachtig serene setting, een wandelpad langs de kust. Het museum is dag en nacht open en als je geluk hebt (dat hadden wij) loop je er helemaal alleen. 





Vanuit Alta reden we in een huurauto naar het eiland Mageroya en daarvoor moet je door de Noordkaaptunnel, die je 7 kilometer lang en ruim 200 meter diep dwars door een zeestraat voert. In de winter is deze tunnel slechts beperkt open en mogen er (bijna) geen personenauto’s doorheen. Je bent dan op bussen aangewezen en zelfs die rijden niet altijd. Sneeuw en ijs maken het risico op ongelukken te groot. Daar hadden wij in juli geen last van, want het was gemiddeld 8 graden en dan ligt er geen sneeuw. En toch kneep ik mijn ogen dicht toen we in de donkere tunnel een zwaar bepakte en bezakte fietser passeerden, die met gevaar voor eigen leven de overkant wilde bereiken. Gevaar komt er ook uit andere hoek, de vele rendieren die er huizen steken spontaan de weg over en veroorzaken jaarlijks de nodige ongelukken. Maar als je eenmaal aan ze gewend bent, schrik je niet meer en kijk je juist naar ze uit; de dieren geven het desolate landschap ook iets vriendelijks.





Goed, de tunnel door, het eiland over, betalen bij de slagboom en dan ben je er eindelijk: op de Noordkaap. Je staat voor een hek op de rand van een niet al te hoge klif en je ziet water. Als je geluk hebt, want het mist er regelmatig. Er is een infocentrum met panoramafilm, tearoom en giftshop en je gaat er net als iedereen op de foto bij de weinig spectaculaire wereldbol, het meest gefotografeerde kunstwerk van Noorwegen. ’s Avonds slaap je in een tentje of een hut op een primitieve camping, want hotels zijn er niet en dan rijd je het hele eind weer terug. Meer is het in feite niet en toch was het de lange reis meer dan waard! Want het gaat niet om die rots of om die foto naast de globe, het gaat om het idee, om het ‘einde van de wereld-gevoel’ en de opwindende wetenschap dat alleen het water jou nog scheidt van de Noordpool. Je waant je een avonturier, een ontdekkingsreiziger en dat is lekker. Je ziet het aan de gezichten van de mensen die er lopen, je snapt elkaar, wij bikkels hebben de ontberingen doorstaan om hier te mogen zijn. Dat is puur genieten. 





Ik ben weer thuis, maar de Noordkaap heb ik niet verlaten. De rest van dit jaar blijf ik in gedachten op de Noordkaap waar tien criminelen opgesloten zitten in een onderzoekscentrum voor een wetenschappelijk experiment. Aan fantasie voor mijn volgende thriller ontbrak het al niet, maar dankzij mijn reis kan ik dit verhaal die typische Noorse sfeer geven die ik tijdens mijn reis heb geproefd. Standalone Noordkaap ligt in januari in de winkel.

Fijne zomer!
Nathalie 


vrijdag 30 augustus 2019

Zomercolumn - Roger Ellory ... THE SEARCH FOR RESEARCH








‘No matter what you do, no matter how hard you try, you can never escape your own memories…’

I stand quietly ahead of a small, industrial lake.  It is a cold January morning in Washington D.C.  Beside me stands a man I have spent merely a day with, a man who has driven me around his city to show me scenes of some of the worst killings he has ever investigated.  His name is Brad Garrett.  He is known by his colleagues in the Federal Bureau of Investigation as ‘Doctor Death’.  During his twenty-five year career in the DC area, no homicide has taken place that has not engaged his professional attention.  He has no children.  He and his wife do not share a surname.  Very few people know where they live, and his neighbours are not aware of what he does for a living.  This is the way his life has to be.

The remark he made, the comment regarding never being able to escape his own memories was in reference to a case that still wakes him on the cool, semi-darkness of early morning, a case that still haunts him without respite or relief.
“There isn’t a day that goes by when I do not think about it,” he adds quietly. The case of which he speaks is very disturbing.

A fisherman, casting lines out into that small, industrial lake, saw a thirty-gallon trash can float to the surface of the water.  The lid, once wired to the can itself, had come loose, and in the can he could see two heads.  The Police were called, and once the can was dragged onto land it was discovered that a Vietnamese woman and her two year-old child, both kidnapped some five months earlier, were inside the can.  From all appearances it seemed that they had been tied together and put into the can alive, face-to-face.  No-one was ever arrested for the crime.  No-one has ever been questioned.  No-one knows what happened, and – more than likely – no-one ever will.

Earlier that day Brad had taken me to a branch of Starbuck’s where three young and innocent workers were murdered in a failed late-night robbery.  There is a memorial to the three dead kids, and part of that memorial is a series of three boxes, within which can be found small mementoes placed there by family members.  That case was Brad’s first active DC murder investigation after an earlier, lengthy case which had seen him tracking a known terrorist and murderer out of the US into the Middle East, arresting that terrorist, smuggling him back into the US under the very noses of that Middle Eastern government, securing his charge, arraignment, trial, conviction and execution.  That terrorist had assassinated three active CIA operatives on US soil and then fled justice.Before even that we had spoken of his work on the infamous Washington Sniper case.

Brad Garrett was a quiet and methodical man.  He talked, but he did not talk easily.  His responses to my questions were measured and precise, as if he was always aware of what he was saying, careful to say enough, but never too much.  But it seemed he enjoyed speaking of his career, his life, his ‘passion for the truth’.  He knew that his career had become an addiction, a word he used himself, and he knew that he would never escape the need to know what was behind the scenes, what was on the other side of the crime scene tape.  He had seen the worst that the world had to offer, and yet kept coming back for more.

I left Brad Garrett by the side of that lake in Washington, D.C., and I drove up into Virginia.  I entered a town called Fallschurch in Fairfax County, and here I met a woman called June Boyle.  June was a thirteen-year veteran Homicide detective, her years before Homicide having been spent in Robbery, Sex-Crimes, and many other areas, and alongside Brad Garrett she had been one of the lead investigators in that very same Washington Sniper case.  June was immediately charming, very warm, very human, and she drove us to a park where we sat on benches near a snow-covered playground and spoke of her life in the Police Department.  The surroundings were surreal, but the conversation was very real indeed.

The Washington or ‘Beltway Sniper’ case was the most important investigation on the east coast for as many years as anyone could remember.  Events transpired during three weeks in October of 2002 which resulted in the deaths of ten people, the critical injury of three others, and the collective inhabitants of Washington, Maryland and Virginia enduring a reign of fear the like of which they had never been experienced before, and would be unlikely to ever experience again.

Without any understandable rationale or motive, John Allen Muhammad (41) and Lee Boyd Malvo (17) went on a killing spree, travelling in a blue 1990 Chevrolet Caprice Sedan, into the trunk of which a hole had been bored, and through that hole – employing a stolen Bushmaster XM-15 semi-automatic .223-caliber rifle – they had fired upon innocent citizens.   A landscape gardener, a retired carpenter, a babysitter, a woman vacuuming her car in a gas station, a thirteen year-old on the way to school.  Muhammad and Malvo shot these people from a range of fifty to one hundred yards.  At such a short distance, a .223 caliber bullet does a remarkable amount of damage to the human body.

Detective June Boyle was the detective who finally interviewed and secured a confession from Lee Boyd Malvo, the younger of the assassins.  She spent six and a half hours with him.  She secured his confidence and his trust.  She arranged his food, she sent out for veggie burgers, for boxes of raisins, at one point sitting with a handful of raisins as he took them one by one and ate them.  She got him to open up, to really start talking, and with that information the case had a foundation and a grounding that would never have been possible without her.  Despite the fact that the Attorney General authorised Malvo’s trial to take place in Virginia, and thus gave the jury the opportunity to execute him, the jury decided not to.  They gave Malvo life in prison.  I asked June how she felt about this, and in a split second the warm and forgiving appearance vanished, within a heartbeat the humour and humanity was gone, and she said, matter-of-factly, that Malvo should be dead.   “There are some people in this world that should be dead,” she continued, “Lee Boyd Malvo is one of them.” 

It was a glimpse behind the face that she wore for the world.  In that moment I realised that despite her generosity of spirit, despite the fact that she was a tremendously big-hearted person, she was also a police detective, and had been witness to some of the very worst kind of people the world had to offer. 

“This is a lifestyle, a vocation, something that you can never leave behind,” she told me.  “When I am away from it, even though it is terrible, I still miss the rush, the excitement, the buzz of a new case, a new lead, the feeling that it was going somewhere…” At one point towards the end of our discussion she showed me two cellphones, one from her left coat pocket, one from her right. “This one,” she said, holding out the phone in her right hand, ‘is my personal phone.  I might as well leave it at home.  It never rings.  No-one ever calls me.” She paused and smiled wryly.
“But this one,” she said, holding out her left hand, “is my work phone.  It rings all the time, and every time it rings there’s a dead person at the other end.  It could be a domestic abuse case where the wife has finally tied of her husband’s cheating and put a kitchen knife through his heart.  It could be a gangland killing.  It could be a hit and run.  It could be a twelve year-old girl in pieces in a dumpster behind a derelict hotel.  I never know what I will find, but it is always bad.  Just when you think people have done the very worst that they can to one another, you find someone has gone and done something even more terrible.  There is no limit to the imaginative ideas applied to the destruction of other human beings.”

This is a reality that is hard to face, and yet is a profound and disturbing truth.  With Brad, with June, there is an intensity, a passion, a need to see what further darkness lies behind the façade of society.  Where any ‘normal’ person would shy away from looking, such people as these look harder.  But who is the more ‘normal’ – those who seek the truth, or those who evade it?  I believe, perhaps, that Brad and June are at the very least fully apprised of what men and women are capable of doing to one another, and thus are not overwhelmed by it.  They also appreciate and accept that such individuals – the ones who shoot and stab, those who strangle and mutilate others – are in the tiny minority.  It has been said that that which you can face will never become your master.  Perhaps, in seeking the most fear-inducing realities of existence, they have become – to some degree – fearless.

But both of them speak of their lives like there was no choice for them.  This was something they had to do.  Never a matter of if, but when. Later, interviews complete, alone in a hotel room in a strange city three and a half thousand miles from home, I contemplate my own place in all of this.  I am the journalist, the spectator, the voyeur, the eyewitness to all of this.  This a country I was not born in, and yet choose to write about.  I will always be a tourist, nothing more nor less.  I am a stranger in a strange land, and yet I am also compelled to dig deeper, to look beyond the façade, to find what lies beneath.

Paul Auster said that becoming a writer was not a ‘career decision’.  You didn’t choose it so much as get chosen, and once you accepted the fact that you were not fit for anything else, you had to be prepared to walk a long, hard road for the rest of your days.  I concur with his viewpoint.  I am compelled to do this, incomparable perhaps to the work of people like Brad Garrett and June Boyle, but still a compulsion.  I have no choice.  I have to ask.  I have to step closer.  I have to look, and then look again.  I have to remember what I asked, what was said in response, what I felt, what I perceived, and from this I have to create my own realities, my own universe, my own cast of characters who will walk in those spaces where people fear to go. 
Sometimes my wife stops me working, if only for a little while. “You are too intense, too involved,” she says.  “I know you have to be, I know that this is the way you are, but every once in a while you need to let go.  Take a walk, come spend some time with the family.  Have a rest from the terrible, terrible people you seem so devoted to spending your time with…” And she is right.  Of course she is right. 

I walk away, just for a little while, a few hours perhaps, but I can never really let go.  I want to hear from Brad Garrett’s own lips how it was to find the dead woman and her child in the trash can.  I want to hear June Boyle tell me again what it felt like to look into the eyes of a man who had just woken on the morning of his own execution.  I want to see what they saw.  I want to feel what they felt.  I want to know so I can write about it, share it with others, evoke emotions, capture attention.  Why, I do not know.  Why do any of us do the things we do.  Because we have to?  Perhaps.  I am not concerned with the answer to that question.  My interest lies elsewhere.

I spent a week in Washington, D.C., capital of one of the richest and most powerful nations in the world.  But the criminals here are just the same as everywhere else.  The killings are just as pointless.  The lives wasted are no more valuable than anywhere else on the planet.

I spend a few of my final hours in this city in the company of Alyce.  Alyce is thirty-one, a mother of two.  Her son is nine and lives with his grandma.  Alyce’s daughter, getting on for three years of age, lives with Alyce.  I am not going to give you Alyce’s surname or the names of her children for obvious reasons.  Alyce, for ten years, was a heroin addict.  She was homeless, destitute, broke, and a junkie.  At one moment I asked after the whereabouts of her daughter’s father.  ‘Well, he lives in the same doorway where I used to live…’ 
Alyce has just finished the third year of her medical studies.  She has been off heroin for a little longer than that.  She has another two years to go, and when she graduates as a nurse she wants to specialise in helping those who are adversely affected by drugs.  She has recovered her relationship with her parents and her siblings.  She has secured low-income housing and lives in a really nice house (because she has made it so), and she is testament to the fact that people can survive. 

Alyce is generous, warm, friendly, talkative, very open about her life and her personal experiences, and she has an optimistic outlook for the future.  I ask her about Obama, the possible changes, the political and cultural future of America, and she smiles wryly.  She says, ‘Race doesn’t matter.  Doesn’t matter what color the President is.  He seems to be a smart man.  The last one wasn’t smart.  That’s the thing that will make a difference.’  A very astute observation.  While the rest of the world is talking about what colour the President is, someone right there in the middle of it sees it for what it is.  Is he smart, or is he dumb?  That’s the thing that will make a difference.

It is my last full day in the US capital, and though I had accomplished what I  set out to do, I also felt that I had looked through a window into something that would have ordinarily been unattainable.  Tourists don’t get into the Washington Post, they don’t talk to FBI agents or homicide detectives, they don’t walk through low-income housing complexes and speak with recovered heroin addicts about the trials and tribulations of being sick and poor and a parent, and yet somehow possessing a strength of spirit sufficient not only to survive those experiences, but to then dedicate the rest of their lives to helping people escape from the same terrible circumstances. 

On Sunday morning I went out to Columbia Street.  I stood on the street where Catherine Sheridan was murdered at the start of A Simple Act of Violence. In a strange way this was more sobering than anything else. 

I write fiction.  I create characters and put them in fabricated circumstances, and whether I write for the sake of entertainment, or I write to evoke an emotion, or I write simply for pleasure, I am still writing fiction.

Standing there on Columbia Street and thinking about Catherine Sheridan, so soon after having spoken to Brad Garrett about the Vietnamese woman and her baby, after having spent time with June Boyle and listened to her talk of the Washington Sniper case, the arrest and interrogation of Lee Boyd Malvo, the fact that the jury saw pictures of his victims, innocent people with their heads blown apart, and then were confronted with pictures of Malvo as a baby and were sufficiently influenced on a sympathetic level to overturn the death penalty…standing on that street and talking about a fictional character made me so much more aware of the real people.  The ones that do die.  The ones that are murdered.  Sobering, to say the least.

I took a great deal of memories away from Washington.  I think they are things that will stay with me for the rest of my life, and will certainly inform and influence my writing. I am so often asked why I write about America.  I am often challenged, accused of trying to be something I am not. I disagree.  I tell stories.  That’s what I do.  I have always done this, and I believe I always will.  I feel I have a duty and a responsibility to engage and inform and educate and entertain.  I believe that there are things I can show people that they otherwise would never see.  I believe this is a privilege, and it is something that I feel very fortunate to do.I am one of life’s travellers.  I go there, I look, I see, I report back.  I try to bring home the emotion, at least that if nothing else.

I am trying to live as many lives as I can within a single lifetime, and some of those lives are filled with darkness, and some are not. Each is important as the next.  This is something I cannot escape, just like Brad Garrett cannot escape his memories.

RJ Ellory





‘De mannen vallen’ – Inge Ipenburg

 

Genre: thriller
Uitgever: Pepper Books
ISBN: 9789020608816
Uitvoering: paperback
Aantal pagina’s: 521
Uitgave: augustus 2019


Met dank aan Uitgeverij Pepper Books voor het beschikbaar stellen van dit recensie-exemplaar.

De mannen vallen is het vervolg op Moordenaarsstorm en ook het laatste deel uit het tweeluik De Siciliaanse kronieken.

Max woont ondertussen in haar huisje aan zee. Dankzij haar goede vriend en landgenoot Herman is zij eindelijk geïnstalleerd. Ook Wil Heerema – rechercheur in Amsterdam - heeft besloten nog een paar dagen vakantie te vieren in Sicilië voor hij terug aan het werk gaat. Maar na een berichtje van Il Capitano Gino Martinelli – de hoogste baas van de carabinieri die hij kent uit de vorige zaak (zie Moordenaarsstorm) - komt er van vakantie of terugkeren naar Nederland voorlopig niks terecht.

In snel tempo vallen er verschillende doden, duikt er een klein jongetje op, is Herman verdwenen en verschijnt een klein meisje dat geen woord zegt. Gezien de lijken Nederlanders zijn wordt Wil opnieuw betrokken bij het onderzoek en zit Max – voor ze het weet – met een klein meisje in huis.

In De mannen vallen draait het om Herman, de huisvriend van Max. Heeft zijn verdwijning te maken met de dubieuze praktijken die zich in het dorpje afspelen? Bijna iedereen is van die praktijken op de hoogte, maar steekt de kop in het zand en wel uit eigenbelang. Hoe dichter Max en Wil bij de waarheid komen en hoe harder er in de pot geroerd wordt, hoe meer het begint te stinken. In Moordenaarsstorm was de machtsverhouding in het dorpje maar een peulenschil in vergelijking met wat nu speelt. Wie is nog te vertrouwen?

In 139 – over het algemeen korte – hoofdstukken raas je door het verhaal dat zich afspeelt in 2016. Dit is mede te danken aan de vlotte en heldere schrijfstijl van Ipenburg. Op een aangename manier neemt ze je terug mee naar dat kleine dorpje aan de Siciliaans kust. Haar schrijfwijze is niet alleen erg beeldend, maar ook doortastend en gedetailleerd. In enkele zinnen zie je de hele scene zo voor je. Het corrupte Sicilië, de malafide praktijken die er spelen, maar eveneens de sfeer die zo’n vakantiedorpje uitstraalt: Het goede weer, de terrasjes, lekker eten, flesje wijn, Italiaans geroezemoes en zwoele avonden. Je zou zo je zwemspullen en jurkjes in een koffer smijten en vertrekken.

De karakters in het verhaal overtuigen. Max wordt verder uitgewerkt en ondanks haar grillen krijg je ook een bevallige kant te zien. Daarnevens worden de andere personages genoeg beschreven om een mooi beeld te hebben. Je moet als lezer wel je hoofd boven water houden, want er komen heel wat figuren ten tonele. Had Ipenburg al de verhaallijnen uitgediept was het waarschijnlijk een omnibus geworden. En hoewel je hier en daar op je honger blijft zitten doet dit gelukkig niks af aan het leesgenot, want het verhaal is – ondanks de spanning – bij momenten lekker luchtig. Oer Hollandse woorden die erg herkenbaar zijn steken van tijd de kop op en het gebrekkige Engels van de Italianen is hilarisch. Ondanks dat het verhaal best een heftig thema heeft zit je van tijd tot tijd in je vuistje te lachen.

Inge Ipenburg heeft met deze Siciliaanse Kronieken een mooi tweeluik neergezet voor ettelijke uurtjes leesplezier. Je waant je in Italië, de sfeer wordt bijzonder goed weergegeven. De auteur weet te boeien en schuwt gevoelige onderwerpen – zoals de vluchtelingenstroom - niet. Het verhaal is goed opgebouwd en voorzien van een doorspekte, onderhuidse spanning. Naar de plot toe gaat het verhaal snel en of de eigenlijke ontknoping realistisch is blijft voor mij de vraag. De mannen vallen geef ik graag 3,5 ster.

Karin
De Perfecte Buren

Lees HIER het eerste deel van De Siciliaanse kronieken 'Moordenaarsstorm'


‘Door jou ben ik mij’ - Hinke van Abbema



Genre: young adult
Uitgever: Kok Boekencentrum
ISBN: 9789043531788
Uitvoering: paperback
Aantal pagina's: 352
Uitgave: juni 2019



Vlak voor ik op vakantie ging kreeg ik van Uitgeverij Kokboekencentrum het boek Door jou ben ik mij. Ik was hier razend benieuwd naar en mijn dank gaat dan ook uit naar de uitgever. 

In Door jou ben ik mij lezen we het verhaal van Jona. Hij is homoseksueel en groeit op in een christelijk gezin. Niemand weet het, want hij beseft maar al te goed dat de reacties niet goed zullen zijn. Homo zijn mag immers niet? Als hij met zijn broertje een wedstrijd van Feyenoord bezoekt, komt hij Marouan tegen. Deze Marokkaanse jongen heeft meteen zijn volle aandacht. Marouan is spontaan, aardig en knap. Wat wil je nog meer. Jona is verliefd. Maar hoe moet dit nu verder? 

Door jou ben ik mij is het debuut van theoloog Hinke van Abbema en ik merkte tijdens het lezen al gauw dat ik hoopte dat het hierbij niet zou blijven. De auteur heeft een heerlijke, leuke manier van schrijven. De combinatie van deze luchtige schrijftrant met de, toch wel serieuze, boodschap van het verhaal heeft Van Abbema, naar mijn mening, prachtig in elkaar gevlochten. 

Homoseksualiteit is in YA inmiddels geen taboe meer want er zijn ondertussen veel boeken verschenen, veelal (YA-)feelgood, waarin homoseksualiteit de boventoon voert. Desondanks onderscheidt dit verhaal zich van de rest. Het is een heerlijk liefdesverhaal, maar wel ééntje die er nog niet was. 

Ik ben opgegroeid in een streng christelijke omgeving. Toen ik ontdekte dat ik homoseksueel was ging ik naarstig opzoek naar alles dat er over dit onderwerp te vinden was. Zeker op het gebied van geloof. Was dit wel te rijmen? Ik miste iets in deze zoektocht. Tussen alle informatieboeken en theologische verklaringen, vond ik geen verhaal. Geen boek waarin ik een verhaal las over de liefde tussen twee jongens. Geen boek waarin geloof en homoseksualiteit samengaan. Ik nam mij voor: ooit, op een dag, schrijf ik zo’n boek. Maar weet je, dat hoeft niet meer. Het boek dat ik had willen schrijven is nu geschreven, maar dan veel beter. 

Door jou ben ik mij is een herkenbaar verhaal. De reactie van de christelijke omgeving van Jona ken ik uit eigen ervaring. Ik groeide op in een strenger christelijk milieu dan Jona, desondanks krijgt homoseksualiteit vrijwel in elke kerk dezelfde reactie. Hinke van Abbema heeft met Door jou ben ik mij dus zeker een taboedoorbrekend boek geschreven. Eén die gekoesterd moet worden. 

Ik heb niet één redactionele fout gezien. Dat vind ik knap. Zelfs de beste redacteur ziet wel eens een klein foutje over het hoofd, maar in dit boek vond ik er geen. Daarnaast is Van Abbema meesteres in mooie zinnen en het gebruik van synoniemen. Tenslotte was het gewoon een heerlijk boek van een goede schrijfster. Ik hoop zeker meer van haar te gaan lezen. 5 sterren voor Door jou ben ik mij

Marc-Jan van Dam
De Perfecte Buren



donderdag 29 augustus 2019

Rudy's wereld ... Taalperikelen







Opgelet: dit blog bevat veralgemeningen!

Zodra je naar het buitenland reist, word je als Nederlandstalige - weze het Vlaming of Nederlander - haast per definitie geconfronteerd met een andere taal. (We kunnen tenslotte niet altijd bij elkaar op vakantie gaan :-) ) Toch houdt dat ons niet tegen, integendeel: bestudeer in Frankrijk en Spanje tijdens de vakantieperiode maar eens de nummerplaten van de auto's die je ziet. Misschien verklaart dat deels ook waarom de rest van de wereld er min of meer van overtuigd is dat onze kennis van andere talen uitzonderlijk goed is of moet zijn. Engels, Frans, Duits en Spaans hebben voor ons geen geheimen meer, denken ze daar. Of we kunnen er ons op z'n minst verstaanbaar in maken. Vergeleken met andere nationaliteiten zijn wij toch de wereldkampioenen van andere talenkennis. 

Nu ja, we zijn daar zelf in elk geval van overtuigd. 
Alleen gaan wij - Nederlanders en Vlamingen - daar niet altijd op dezelfde manier mee om. Eén van de grootste verschillen lijkt me het zelfvertrouwen waarmee beide groepen reageren als het gebruik van zo'n andere taal niet kan vermeden worden. Vlamingen hebben dan over het algemeen heel veel tijd nodig om hun eenvoudige vraag in het Frans bijvoorbeeld geformuleerd te krijgen. Niet zozeer omdat ze de woorden niet kennen, maar vooral omdat ze geen fouten willen maken. Ze vragen zich haast automatisch af of hun probeersel wel grammaticaal correct is. Moet dat werkwoord nu vooraan of achteraan de zin staan, zeg ik tu of vous, hoe was die verbuiging van dat werkwoord ook alweer, vertaal ik dit hier nu niet te letterlijk, vergeet ik hier geen woord... Deze reactie is het gevolg van een oud Vlaams onderwijsprincipe dat stelt dat een andere taal correct gebruiken ten allen tijde belangrijker is dan ze te durven gebruiken. Voor fouten krijg je namelijk slechte punten. Als je je mond houdt, krijg je die niet. Je zou staan kijken hoe diep die redenering er ingebakken zit. Jullie Nederlanders hebben daar over het algemeen weinig problemen mee - om het voorzichtig te stellen. Slechts één anekdote van de vele die deze stelling in de loop der jaren hebben bevestigd.

Naar jaarlijkse traditie verbleven we ook nu weer enkele weken in la douce France. Op een plaatselijk marktje slaagde een Nederlands koppel, dat voor ons in de rij stond bij een kraampje, er zowaar in om in het Engels(!) te bestellen, in het Engels(!) af te rekenen, te vertrekken na het woordje merci met een Engelse tongval te hebben uitgesproken (waardoor het als mercy klonk, wat 'genade' betekent), hun boodschappentas even neer te zetten en binnen gehoorafstand letterlijk en luidkeels te verklaren 'dat zo'n mondje Frans(!) spreken toch best wel handig was'. Nee, ze bedoelden het niet als grapje. Dat bleek duidelijk uit hun reactie toen wij in lachen uitbarstten. Ze keken zelfs een beetje beledigd. 

Laten we er maar eerlijk over zijn. Wij Vlamingen zijn diep in ons binnenste best wel jaloers op die zelfverzekerdheid van dè Nederlander. Het gevolg dus van een onderwijssysteem waarin ‘vlot praten’ niet meteen als een competentie werd en wordt beschouwd. Uiteraard zullen er uitzonderingen zijn. Maar dat zijn het dan ook. Uitzonderingen. (Die de regel dus... juist.) Opdrachten braaf uitvoeren en bevelen gehoorzamen, lijkt nog steeds dè prioriteit. Assertiviteit, vertrouwen in eigen kunnen, lef? Zorgt alleen maar voor problemen. Op school toch. Het ziet er bovendien niet naar uit dat daar op korte termijn veel verandering zal in komen, integendeel.

Een persoonlijke anekdote als illustratie van het voorgaande.
Wij spreken thuis in de loop van het jaar nauwelijks Frans. De hernieuwde kennismaking met de taal verloopt de eerste dagen in Frankrijk dan ook niet altijd even vlot. Onze mond moet zich nog zetten, bij wijze van spreken. Het taaltje bekt nog niet. Onze lippen werken tegen, onze tong slaat in een knoop en de woordenschat moet eerst uit één of andere verborgen lade opgediept en afgestoft worden. Dat neemt nogal wat tijd in beslag. Dan al meteen naar een winkel gaan, bijvoorbeeld, is eigenlijk vragen om problemen. Maar ja: we waren vergeten eieren mee te brengen van de markt in het stadje verderop. Mijn echtgenote vroeg dus om dan toch maar even naar het dorpje vlakbij te wandelen. We wisten immers dat de plaatselijke slager daar ook eieren verkocht. 
Ondergetekende vertrok dus naar de enige zaak die het plaatsje rijk is om twaalf eieren te kopen.
Tijdens de wandeling ernaartoe had ik tijd genoeg om een en ander bij elkaar te puzzelen en mijn vraag te oefenen. Wij waren tenslotte nog maar één dag ter plaatse. Vlot en spontaan taalgebruik waren eigenschappen die nog wel een week of zo op zich zouden laten wachten. Maar twaalf eieren, dat moest lukken.
Doux oeufs, s’il vous plait.” (Twaalf eieren, alstublieft.) [Oeufs wordt uitgesproken als eu. Dus: doez eu
Ik oefende mezelf suf. Toen ik uiteindelijk bij de zaak aankwam, had ik de zin onderweg zeker een keer of twintig luidop voor mezelf herhaald. Bij de slager stelde ik echter vast dat mijn timing beter had gekund. Vijf locals vormden een rijtje van het trottoir via de open winkeldeur tot bij de kleine toonbank. Ze wachten uitermate geduldig op hun beurt, ondertussen rustig keuvelend. Ik sloot braaf aan, in de hoop dat niemand me iets zou vragen. 
Ik had geluk. Ze knikten allemaal vriendelijk, maar niemand leek behoefte te hebben aan een praatje met de nieuwkomer. Een meevaller. Kon ik mijn zinnetje, Doux oeufs, s’il vous plait, in stilte blijven herhalen. (Je weet wel: doez eu. Ja, het is belangrijk dat je de uitspraak in gedachten houdt.)
Natuurlijk duurde het een hele tijd voor ik aan de beurt was. De locals waren er niet alleen om iets te kopen. Een aantal onder hen wisselden van gedachten over het enige plaatselijke restaurantje, het resultaat van een petanque-wedstrijd werd besproken, en er waren ook vragen over de organisatie van het jaarlijkse wijnfeest, dat tijdens het weekend twee weken later zou plaatsvinden. 
Halverwege die gesprekken maakte ik een cruciale fout. Ik begon naar de conversaties te luisteren in plaats van me te blijven focussen op mijn zinnetje, doez eu. Dat wijnfeest, dat wist ik, was altijd een fijne ervaring. En de bedenkingen over het restaurantje waren ook goed om weten. Ik leek wel een local op de duur, ook al zei ik geen woord. Er arriveerden ook nog enkele nieuwe locals waardoor er ook achter me een rij ontstond.
En toen was het plots mijn beurt. 
Monsieur?” vroeg de slager.
Ik wist het niet meer. Ik had zo intens geoefend, en nu wist ik het ineens niet meer. Ik was mijn zinnetje gewoon kwijt. En ik moest meteen antwoorden, want de rij achter me was behoorlijk lang. Dus kwam er een spontaan antwoord.
Deux ou, s’il vous plait.” (Deuz oe)
De slager grinnikte.
On ne vent pas des ou, monsieur,” (wij verkopen geen ou) antwoordde hij met een uitgestreken gezicht. Al kon ik aan de twinkeling in z’n ogen zien dat hij perfect begreep wat ik bedoelde. En natuurlijk kon ik nog steeds niet op mijn zinnetje komen. 
Tant pis,”(Jammer) zei ik dan maar, en liep langs de rij achter me weer naar buiten. 
Natuurlijk herinnerde ik me mijn zinnetje al na enkele ogenblikken opnieuw. En ja, hoor, ik nam braafjes opnieuw plaats achteraan de rij. Op het trottoir dus, ja.
Toen ik een tijdje later uiteindelijk weer bij de toonbank kwam, stonden er al twee doosjes met zes eieren voor me klaar. De slager kon zijn plezier niet op. Hij troostte me - in het Frans, uiteraard - met de bedenking dat ‘ik tenminste geen Engels had gebruikt.’ Ik vermoed dat hij het verhaal de dagen daarna met veel genoegen aan zijn klanten heeft verteld.
Eerlijk? Ik krijg er zelf ook nog altijd een beetje de slappe lach van. En je zult mij nooit horen zeggen dat ik vlot Frans spreek. Ik ben tenslotte een Vlaming.

Rudy Soetewey


‘Zuidenwind’– Suzanne Vermeer



Genre: thriller
Uitgever: A.W.Bruna Uitgevers
ISBN: 9789400510128
Uitvoering: paperback
Aantal pagina's: 96
Uitgave: augustus 2019

Met dank aan A.W. Bruna Uitgevers voor het beschikbaar stellen van dit recensie- exemplaar.

Korte inhoud

1988, Nicole, Marjolein, Tom, Mike en Peter-Jan zijn afgestudeerd en samen op vakantie in Benidorm. De klasgenoten willen hun eindexamens vieren en zetten samen de bloemetjes buiten. Tot er één van hen plots verdwijnt.

Nu, dertig jaar later gaat Nicole met haar dochter Iris op vakantie in Bergen aan Zee. Hier ontmoeten ze de succesvolle ondernemer Patrick die zijn eigen ICT-bedrijf heeft. Iris heeft al snel een oogje op Patrick die haar nogal zeer verwarrende signalen stuurt. Heeft hij nou ook interesse in haar of helemaal niet? Maar dan gebeurt het onverwachte en worden ze terug naar het verleden gekatapulteerd. Wat er destijds in Benidorm gebeurde blijkt niet zonder gevolgen zelfs niet voor Iris en Patrick.

Conclusie
Zuidenwind is een dun boekje die je lekker relaxed op het strand of zelfs onderweg kan uitlezen. Je hebt het boekje zo uit en het bevat alle Suzanne Vermeer kenmerken: een zomerse bestemming (Benidorm), een romance en natuurlijk de nodige spanning. 

Het verhaal is vlot en eenvoudig geschreven. Doordat het een dun boekje is vlieg je er doorheen. Het verhaal gaat razend snel, zonder al te veel uit te breiden in nodeloze details. Hierdoor is Zuidenwind af en toe wel voorspelbaar, maar het is zeker niet storend. De hoofdpersonages blijven geen vage personages maar zijn goed uitgewerkt. De manier waarop Nicole open bloeit wordt op een realistisch en boeiende manier omschreven. 

In de voorgaande boeken van Suzanne Vermeer komen er meestal ook sociale thema’s aan bod, en dit miste ik hier toch. Zo komt het rouwproces van Nicole en Iris oppervlakkig aan bod en had ik hier toch een wat diepere uitwerking verwacht. 

De uiteindelijke plot leek mij eigenlijk ook nogal ver gezocht en onrealistisch, het was voor mij doorspekt met teveel toevalligheden. En toen ik het boekje uit had, had ik zoiets van ‘is dit het nu?’ Het verhaal leek me wel heel kort, eerder een lang opstel of een essay in plaats van een roman. Misschien is het wel net iets te dun om het als een apart boek te zien en had het misschien beter in een verhalenbundel gepast.

Het geheel heeft bij mij geen wow gevoel nagelaten, maar uiteindelijk was het ook niet slecht. Het is wat het beloofd te zijn, een spannend zomerthriller. Door het formaat kan je het ook makkelijk overal mee naartoe nemen en op het strand of onderweg in het vliegtuig of in de wagen lezen. Ik scoor het een 3.5 sterren en kijk al uit naar de winterthriller van Suzanne.

Silke Wimme
De Perfecte Buren
  
Mijn recensies van de voorgaande boeken van Suzanne Vermeer zijn hier terug te vinden:

Lees HIER de recensie van 'Het strandhuis'
Lees HIER de recensie van 'Ijskoud'
Lees HIER de recensie van 'Super de luxe'
Lees HIER de recensie van 'Winternacht'
Lees HIER de recensie van 'Het paradijs'