donderdag 10 oktober 2019

Boek van de Maand 'Ik zie je' Bookflash & Win





 
Ook deze week kun je - dankzij The House of Books - een exemplaar van Ik zie je winnen. Hoe? Lees onderstaande bookflash en vertel ons wat er in de Presse Tabac Librairie tussen de kranten en sigaretten ook nog ligt. Gevonden? Lees onderaan dit fragment de voorwaarden. Go !


‘Over vierhonderd meter: neem de afslag.’

Het is kwart voor zes. Sortie 23, staat er langs de kant van de weg. Carpentras. Ik verlaat de snelweg. Terwijl ik naar de slagboom rijd haal ik de envelop met bankbiljetten uit mijn tas. Dertigduizend euro. Achtduizend euro voor het tweede deel van de huur. De rest om van te leven. Niet dat ik zoveel geld nodig heb. Ik ga stoppen met roken en minder drinken en alleen maar werken. Schrijven. Meters maken. Zodat er over acht weken een boek is. Ik trek een briefje van vijftig uit de envelop en stop dat in de automaat. Na het wisselgeld in mijn jaszak te hebben gestoken rijd ik verder.

Een vierbaansweg, in het midden een betonnen rand, doorsnijdt het landschap in oostelijke richting. In de verte doemen de bergen op. Feitelijk zijn het vooral hoge heuvels. De Mont Ventoux is de enige echte berg. Als een slapende reus torent hij boven het land- schap uit. De kale berg. De zon kleurt de geërodeerde top goudgeel. Onwillekeurig gaan mijn gedachten terug naar de vakantie die ik hier heb doorgebracht. Lang geleden. Ik voel mijn ogen nat worden. Het stuur reageert onmiddellijk. Een licht schokje brengt me weer terug op de juiste baan, terug naar het heden.

Op- en afritten wisselen elkaar in hoog tempo af. Opvallend veel verkeer. De vierbaansweg scheert langs Carpentras. Op een rotonde gaat het in noordelijke richting, de D938 op. Gap. De andere plaatsnamen op het bord kan ik niet zo snel lezen. Een drukke tweebaansweg. Een hoop forensen, vermoed ik. In een lange sliert rijden we achter elkaar aan, een dorp binnen. Een paar geniepige verkeersdrempels halen het tempo eruit. Remmen en gasgeven. Ik begrijp nu pas waarom mensen zweren bij een automaat.

Eenmaal buiten de bebouwde kom gaat het niet veel sneller. Het is druk en de weg is bochtig. Wat me de kans geeft om een beetje om me heen te kijken. Naar de wijngaarden en naar de berg die steeds dichterbij komt.

De weg begint te stijgen. Nog meer bochten. Hoog op de rotsen ligt een kasteel of een abdij. Barroux, staat er op het bord langs de weg. De eerste wielrenners dienen zich aan. Mannen in nauw- sluitende lycra broekjes en truitjes die op de smalle fietsstrook pro- beren te blijven maar soms zo langzaam rijden dat ze bijna de weg op slingeren.

Een bruggetje voert over een smal ravijn. Daarna nog meer slingeren, nog een bruggetje, nog meer wielrenners. Dan duikt de weg omlaag, in een scherpe bocht naar links. Rechts gaat het naar Bédoin. Ik denk weer aan de vakantie van toen. Ik was zestien. Sindsdien ben ik nooit meer in de Vaucluse geweest.

Ik herken de bergrug die eruitziet als een slecht onderhouden gebit maar de naam wil me niet te binnen schieten. In een kom tussen de heuvels ligt Malaucène. Het voelt alsof ik na een lange reis eindelijk thuiskom. De klokkentoren, de platanen die als een kathedraal over de weg spannen, de oude kerk die meer op een fort lijkt dan op een gebedshuis, de rotonde met de grote boom in het midden. Ik herinner me alles nog, alsof de tijd heeft stilgestaan.  

De Avenue de Verdun draait om het oude centrum. Aan weers- zijden van de straat staan ook weer platanen, de bladeren glinste- rend in de zon. En overal wielrenners. Het stikt ervan. Mannen van middelbare leeftijd gekleed in hetzelfde wielerpakje: een zwarte broek en een groen shirt waarop ‘Mont Ventoux’ staat. Nog meer herinneringen worden wakker. De huizen met hun pastelkleurige gevels, het restaurant met het terras aan de rechterzijde van de straat, de winkel van de fietsenmaker schuin aan de overkant.

De straat maakt een bocht naar links. Rechts gaat het naar de Mont Ventoux maar ik moet rechtdoor. Cours des Isnards. Ik her- ken het langwerpige plein. In het midden staan bomen en zijn er parkeerplaatsen. Aan het eerste deel van het plein bevinden zich een paar restaurants met terrassen. Het hotel waar ik destijds met mijn ouders verbleef bevindt zich aan de andere kant van het plein, buiten het stadje, maar de navigatie is onverbiddelijk.

‘Bestemming bereikt.’ Ik zoek een parkeerplaats en haal het blaadje met het 06-nummer uit mijn schoudertas. De verleiding om mijn iPhone te gebruiken is groot. Niet doen. Niemand weet waar ik ben en dat moet vooral zo blijven. Ik steek de straat over en loop het eerste het beste restaurant binnen, in de hoop dat ik daar kan bellen.

Hij ziet er veel jonger uit dan ik me had voorgesteld. Begin dertig, schat ik. Een jongeman met halflang donker krullend haar dat alle kanten op waait, sneakers, een denim short, een wit katoenen hemd waarvan de twee bovenste knoopjes openstaan. Om zijn hals zit een kettinkje. Even twijfel ik of het wel de beheerder van de gîte is, maar dan zie ik hoe hij doelmatig de parkeerplaats afzoekt. Ik steek mijn hand op waarop hij onmiddellijk terugzwaait en met grote passen naar me toe loopt.

‘Madame Fredericks?’ Hij werpt me een vragende blik toe. ‘De overschrijving stond op een andere naam. Bro...?’

‘Nee,’ onderbreek ik hem zonder met mijn ogen te knipperen. ‘De naam is Fredericks.’

Het is de naam die ik gebruikt heb voor mijn nieuwe mailaccount. De achternaam van mijn moeder. Niet bijster origineel voor iemand die zichzelf schrijver noemt.

‘Luc.’ Hij steekt zijn hand uit. ‘Luc Alphand.’ ‘Lucy,’ zeg ik terwijl ik hem een hand geef. De voornaam heb ik zelfverzonnen. Geweldig. ‘Luc en Lucy.’ Hij lacht. ‘Sounds funny.’ Zijn Engels klinkt voortreffelijk.

We kijken elkaar aan. Hij heeft opvallend helderblauwe ogen. Onder zijn onderlip zitten een paar zwarte haartjes die hij van- ochtend vergeten is met scheren. Het kettinkje om zijn hals is een leren touwtje met goedkope witte kraaltjes.

‘Heb je een goede reis gehad, Lucy?’ ‘Uitstekend,’ antwoord ik terwijl ik nog steeds moet wennen aan de voornaam.

Op zijn voorhoofd tekent zich een lichte frons af. ‘Kan het zijn dat ik je eerder heb gezien?’ ‘Ik eh...’ Ik hoor mezelf stamelen. Mijn boeken zijn ook in Frankrijk verschenen. Aan de overkant van het plein zie ik een Presse Tabac Librairie. Behalve kranten en sigaretten verkopen ze er dus ook boeken. Misschien lig ik er ook wel. ‘Ik zou het niet weten,’ zeg ik terwijl ik mijn gezicht in de plooi probeer te houden.

‘Oké.’ Luc steekt zijn handen verontschuldigend in de hoogte. ‘Ik dacht dat ik je ergens van herkende.’

‘Geeft niet.’ We kijken elkaar weer aan. Tussen zijn voortanden zit een spleetje en zijn neus staat niet helemaal recht. Zijn getaande huid verraadt dat hij veel buiten is.

Hij kijkt me weer fronsend aan. ‘Ben je echt alleen?’

‘Ja,’ antwoord ik glimlachend, ‘ik ben alleen.’ Hij lacht, maar ik zie hem denken. Wat moet een vrouw alleen acht weken in een veel te grote gîte? Hij kijkt nog een keer om zich heen alsof er misschien nog een echtgenoot en een stel kinderen kunnen opduiken.

‘Zullen we gaan?’ stel ik voor. ‘Natuurlijk.’ Hij moet weer lachen. Een aanstekelijke jongenslach. De huid naast zijn ogen plooit zich tot rimpeltjes. ‘Rijd maar achter me aan.’


- stuur een mailtje naar perfecteburen@gmail.com
- zet in het onderwerp het antwoord op de vraag
- vermeld in je mail je adresgegevens EN je gebruikersnaam op Facebook
- om kans te maken moet je lid zijn van onze BESLOTEN groep op Facebook
- nog geen lid bij ons? Dat is gefikst in een KLIK
- stuur je antwoord vóór donderdag 17 oktober 
- de winnaar maken we volgende week bekend op onze besloten Facebook-groep

Geen opmerkingen: