dinsdag 31 maart 2020

Roelant meets ... Manon Ossevoort






Enkele jaren geleden was het wereldnieuws: een meisje uit Nederland ging op een tractor naar de geografische Zuidpool. Gedurende deze reis, die alles bij elkaar jaren heeft geduurd, deed zij verslag via de media. Onlangs heeft ze haar verhaal opgeschreven in een prachtig boek compleet met foto’s van haar reis. Een uniek document. Ik kreeg de kans haar op te zoeken in haar woning in de bossen, waar in haar achtertuin de tractor staat te pronken die ze op haar reis gebruikt heeft. Haar huis is een oude boerderij die zij en haar man stukje bij beetje aan het verbouwen zijn. We nemen plaats in de voormalige stal, een enorme ruimte die dienstdoet als huiskamer, annex kinderspeelkamer, met open keuken. De contouren van de stal met z’n hoge spitse dak zijn intact gebleven.


Manon: ‘We hebben de stal eigenlijk alleen geïsoleerd en de grote raampartijen rondom gemaakt. Toen was het budget op.’

Roelant: ‘Het is prachtig! Ruim, licht en een heerlijk uitzicht.’

Manon: ‘Ook met de tuin zijn we flink bezig. We willen er een voedselbos van maken vol eetbare planten met daarin een grote moestuin.’

Roelant: ‘Je boek begint meteen heftig. Als jong meisje op de Kleinkunstacademie gebeuren er vreselijke dingen. Hoe kwam je op de theaterschool in Amsterdam terecht?’

Manon: ‘Als klein meisje uit een dorp in Twente was dat mijn droom: ik wilde in het theater, echt spelen. Lange tijd gedacht dat zoiets toch niet voor mij was weggelegd. Maar een leraar op de middelbare school spoorde me aan om het toch te proberen. Ik moest niet de rest van mijn leven blijven denken: wat, als? En uiteindelijk is dat het grote motto in mijn leven geworden. Hoe waardevol is het niet dat iemand je zoiets meegeeft: geloof in jezelf, ga ervoor, niets is onmogelijk. Die leraar vertelde me een verhaal. Een vriend van hem had met een paar andere jongens een popbandje opgericht. Heel erg leuk natuurlijk. Op een gegeven moment kreeg die jongen verkering. Dat meisje vond die optredens, die langzaam toenamen, maar niks. Ze stelde hem voor de keuze. Hij moest kiezen tussen haar en dat bandje. Die jongen koos voor haar. Ze trouwden, twee kindertjes enz.. Maar die band was… de Golden Earring. Die leraar drukte me op het hart om te kiezen wat ik wilde, maar dat ik later nooit spijt moest hebben van mijn keuzes. Zo’n verhaal heeft me over de streep getrokken om auditie te gaan doen bij de Theaterschool. En later ook om mijn avontuur met de tractor te beginnen.’

Roelant: ‘Kun je iets vertellen over de voorstelling die je speelde op reis onderweg?’

Manon: ‘Ik begon steeds als Twentse boerin die van de omstanders dromen ging verzamelen. En hen uitdaagde ze te planten om de zaadjes te laten ontkiemen. Door mijn mime opleiding maak ik een heel fysiek soort theater. De voorstelling was een beetje een slapstick verhaal over angsten in je hoofd overwinnen. Een visualisatie van een droom die graag uit wil komen. Er was een vertaler die de korte zinnen vertaalde. En aan het eind kwam de droom uit. Nou ja, ik klom op mijn tractor en reed weg. Het meisje reed de voorstelling uit en het waargebeurde verhaal in.’

Roelant: ‘Die voorstelling had je zelf verzonnen?’

Manon: ‘Ja, met behulp van een regisseuse (Lieke Benders). Voordat ik op reis ging heb ik deze voorstelling ook op Oerol gespeeld. Machtig mooi was dat.’

Roelant: ‘Oerol! Geweldig!’

Manon: ‘Dat was misschien wel mijn mooiste voorstelling. De locatie van strand en duinen gaf me zoveel mogelijkheden. Ik kon ook naast mijn tractor lopen en dan zogenaamd ruzie met ‘m hebben. Dan ruziënd op de tractor klimmen en een slag aan het stuur geven zodat ie rondjes ging rijden terwijl ik dan mokkend in het midden ging staan. Dat gaf zoveel spelmogelijkheden. In Afrika bleken er toch altijd te veel bosjes of rotsen in de weg te staan voor dergelijke dingen.’  

Roelant: ‘Wat ik me toch afvraag is hoe je dit alles hebt gefinancierd?’

Manon: ‘Ik had helemaal geen geld. Het idee voor dit alles had ik een jaar voor mijn afstuderen gekregen, en dan heb je geen geld natuurlijk. Ik was wel lekker in allerlei verschillende producties aan het werk in het theater. Maar ik had nog nooit iets georganiseerd. Niet eens een bingo. Ik heb allerlei bedrijven benaderd voor sponsoring, maar niemand durfde dat aan. Geen enkel bedrijf wilde zijn naam aan dat project verbinden. Nu hielp mijn voorkomen misschien ook niet. Bij zo’n plan hadden ze eerder een struise, stoere kenau van een vrouw verwacht en niet een klein, naïef poppetje. Voor mijn voorstelling heb ik een klein beetje subsidie gekregen zodat ik niet alleen op Oerol, maar ook op de Parade en op het Boulevard Festival kon gaan spelen. Daarnaast in Frankrijk wat spelen op festivals en vandaar door trekken naar de Balkan, naar War-Child projecten om daar te spelen.’






Roelant: ‘Ben je nooit bang geweest voor landmijnen onderweg?’

Manon: ‘Ja. Naast in een slang of een schorpioen stappen waren landmijnen soms een grote angst en een reëel gevaar. Het was in de Balkan voor het eerst dat die gedachte bij mij opkwam. Je weet dat er daar nog van alles in de grond ligt. Als ik dan moest gaan plassen in de berm, ging dat wel door mijn hoofd. Dat zou zó jammer zijn, zo zonde. Dat waren momenten dat ik heel dicht bij de tractor bleef.’

Roelant: ‘Erg leuk in jouw boek zijn ook de persoonlijke, kleine dingetjes zoals hoe en waar je kon plassen onderweg.’

Manon: ‘Je wordt inventief op zo’n reis. Ik heb het wel geprobeerd om gewoon even langs de kant te gaan plassen, maar vooral in Afrika heb je zulke witte billen. De mensen staren je enorm aan, nergens is privacy, altijd overal mensen. Toen heb ik de truc met de grote klassieke jurk als een soort tent om me heen bedacht. Dat werkte prima. Zelfs midden in de woestijn in Sudan, waar niet eens een weg is, alleen maar heel veel sporen, en ik niemand om me heen zie, blijkt dat wanneer ik even stil sta er onmiddellijk iemand om me heen verschijnt. Waar komt die vandaan, denk je dan? Alsof ze uit de grond gekropen zijn. Er zijn in Afrika natuurlijk maar enkele doorgaande wegen of karresporen. Langs die wegen gaan dan mensen wonen. Onderweg had ik een creditcard bij me en een klein beetje geld. Ik had niet zoveel nodig. Het meeste ging op aan diesel. Met een volle tank kon ik 760 km rijden. Dat kwam neer op een week, anderhalve week doorgaan. Ik had daarnaast een paar extra jerrycans diesel bij me.’

Roelant: ‘Zo’n meisje alleen op reis is een makkelijke prooi voor overvallers. Hoe ging je daar mee om?’

Manon: ‘Ik had niet zoveel bij me en straalde dat ook uit. Omdat ik geen sponsors had, vertrok ik uit Nederland in de wetenschap dat ik geld had voor twee, drie maanden. Vrienden hielpen me bijna voor niks met mijn voorstelling zodat ik een beetje diesel kon sparen om Europa door te komen. Daardoor kon ik wel bij die Festivals aankomen en mijn afspraken nakomen. Elke keer als ik diesel ging kopen checkte ik mijn saldo even. Steeds bleek dat vrijwel ongewijzigd ondanks de afschrijvingen aan de benzinepomp. Dan bleek dat er mensen een T-shirtje hadden gekocht of een paar kilometer hadden gedoneerd zodat ik weer verder kon. Uiteindelijk bleek de hele reis net zoveel opgeleverd te hebben als ie gekost heeft. Kortom, door mijn uiterlijk en door die trekker dacht iedereen: dat is er eentje van het platteland, dat is geen rijke, westerse toerist waar iets te halen valt. Mijn laptop en mijn fotocamera zaten verstopt in een kistje dat in een geheim vak in de tractor zat. Dat heeft nooit iemand gevonden. Op één keer na, op de grens in Kosovo, maar verder nergens. En op reis hield ik stil op plekken waar normaal nooit iemand stopt. Dan blijken mensen zó blij dat ze contact hebben met iemand die langs komt. Die ze verhalen kan vertellen. Iemand die niet bedreigend voor ze is; een van hun zeg maar.’

Roelant: ‘Zo’n tractor gaat ook zó langzaam! Zelfs fietsen gaat veel harder.’

Manon: ‘Ja. Ik heb ook stukken een volgwagen gehad. Die reed dan een eind voor of achter me, maar we gingen wel samen ’s avonds een kampementje opzetten. Dat was anders. Dan zag je de bevolking op een afstandje staan kijken. Als ik alleen was, kwamen de mensen altijd dichtbij en maakten contact. Vanaf Kosovo had ik een hond mee. Dat was een heel lieve hond, maar die zorgde wel voor een respectvolle afstand bij het begin van een contact.’






Roelant: ‘Dat was een slimme zet.’

Manon: ‘Eigenlijk wel, ja. Ook fijn dat je erop kon vertrouwen dat die hond de boel wel een beetje in de gaten hield. Maar in de wildernis is een hond ook het grootste gevaar. Die wilde dieren zullen niet zo snel mensen opeten, maar een hondje is daar de lekkerste prooi. Ik moest daar meer de hond beschermen, dan de hond mij.’

Roelant: ‘Hoe vond je dat, in de wildernis met al die dieren om je heen? In je boek staan foto’s van leeuwen rondom je tractor.’

Manon: ‘Ik was daar nieuwsgierig naar. Tegelijkertijd is dat spannend. Ik heb veel tips gekregen van ranchers, zeg maar de boswachters van de savanne. Bijvoorbeeld, als je een vuurtje maakt, komt niks dichtbij, behalve de neushoorn, want die gaat proberen om het vuurtje uit te trappen. Dat zijn een beetje de brandweermannen van het bos. Maar helaas zijn die er bijna niet meer. Meestal maakte ik geen vuurtje en ging ik ’s avonds in mijn tent. Want mensen zijn spannender dan wilde dieren. Helemaal als het donker wordt.’

Roelant: ‘Grappig wat je in je boek daarover schrijft: dat zo’n heel dun tentstofje alle dieren buiten houdt.’

Manon: ‘Maar dat moet je ook heel hard tegen jezelf zeggen. Want bijna elke avond heb ik hyena’s rond mijn tent gehad. En die kunnen heel opdringerig zijn en lawaai maken. Daar was mijn hond heel erg bang voor. In tegenstelling tot leeuwen. Daar was die hond helemaal niet bang voor. Ik denk dat ze dat geluid niet helemaal snapte. Gelukkig, want dan bleef ze rustig. Mijn angst was wel dat ik midden in de nacht moest gaan plassen. Maar het grappige is dat je echt leert luisteren. Van tevoren hoopte ik dat ik de juiste instincten zou hebben, maar vreesde zo’n westers meisje te zijn, die dat allemaal niet had. Uiteindelijk bleek het gewoon boerenverstand te zijn. De natuur heeft altijd een bepaald nachtelijk geluid. Als het ineens opvallend stil is, of extra lawaaierig, dan is er iets aan de hand.’

Roelant: ‘Wat was het fijnste land waar je geweest bent?’

Manon: ‘Dat is een lastige vraag. Uiteindelijk heb ik de fijnste verhalen weten te pakken in één boek. Maar bij elkaar ben ik zo’n vijf jaar in Afrika geweest. De ervaringen die je hebt, doen wat met je. Ik vond Sudan super indrukwekkend en vriendelijk. Een bijzonder land om in te zijn en de mensen echt heel mooi. Maar ik zou zeggen Kenia of Zimbabwe. In Kenia hebben de mensen ook een geweldig gevoel voor humor. Dat was zo fijn.’






Roelant: ‘En je bent er verliefd geworden.’
  
Manon: ‘Ja, ja, ja, maar toen ik later terug naar Kenia ging en daar nog een jaar rondreisde, heb ik hem uiteindelijk niet meer gezien. Ik kwam erachter dat het niet werkte. Het was heel zuiver begonnen, maar iedereen ging op hem inpraten en ook op mij. Er bleken nog veel oordelen te zijn in wit en zwart Afrika over elkaar. Erg jammer. Daarnaast is het ook waar dat een gemiddelde Afrikaanse jongen die daar is opgegroeid toch traditioneler verwachtingen heeft van een vrouw. Nee… Ik was ook niet gemaakt om onderweg te stoppen en te blijven.’

Roelant: ‘In je boek komt het einde van je reis, wanneer je de Zuidpool bereikt, er een beetje bekaaid af.’

Manon: ‘Vond je? Ja, ik had over die laatste etappe ook wel een apart boek kunnen schrijven. Maar ik wilde in dit grote verhaal niet meer tot in detail schrijven over samen reizen met een team. Teamstrubbelingen en de technische uitdagingen vallen in het niet op zo’n magisch, oneindig wit continent. Ik wilde de natuur laten spreken. En de laatste schreden van een droom die onwaarschijnlijk genoeg toch uitkomt. Er was wel een bizarre tussenstop op de expeditie bij een verafgelegen brandstof depot op Antarctica. Dat wordt door de Russen gerund. Van die oude, bejaarde Russische mannen met verweerde gezichten die daar kamp houden, een jonge jongen erbij om hen te helpen, die spontaan op wodka en door hun vrouwen gekookte soep trakteerden. Deze soep hadden ze gewoon in het ijs van Antarctica ingevroren. Er staan daar enkel een paar oliedrums in de sneeuw. Van een oude parachute hadden ze een soort iglo toilet gemaakt met prachtig oranje dak. Dat was een heel memorabel moment daar op dat desolate Antarctica.’

Roelant: ‘Dus eigenlijk zijn de ontmoetingen met mensen op jouw reis het meest waardevol gebleken?’

Manon: ‘Jazeker, dat is zo.’

Dank je wel, Manon, voor dit bijzondere gesprek.

Roelant
Perfecte Buren

Lees HIER de recensie van 'Het meisje en de tractor' 


‘Dochters van China' – Jung Chang




Genre: non-fictie
Uitgever: Boekerij
ISBN: 9789022579572
Uitvoering: hardcover
Aantal pagina's: 432
Uitgave: februari 2020

Met dank aan Uitgeverij Boekerij voor dit recensie exemplaar.

Korte inhoud 
Begin 20ste eeuw, drie zussen afkomstig uit Shanghai zullen samen een belangrijke schakel vormen in de geschiedenis van China. Ze zijn de dochters van Charlie Soong, een missionaris die erin slaagde om uit de armoede op te klimmen tot een rijke zakenman. Charlie had er alles voor over om zijn dochters Mei-ling, Ei-ling en Ching-ling een goede opleiding te geven en spendeerde zijn rijkdom om zijn dochters in Amerika te laten studeren.

Mei-ling werd de echtgenote van Chiang Kai-shek. Ei-ling, de oudste zus, werd de rijkste vrouw van China en trouwde met Chiang Kai-sheks eerste minister. De derde zus Ching-ling ging een andere politieke richting uit en trouwde met de communistische Sun Yat-sen (Mao’s rechterhand). Hierdoor kwam zij lijnrecht tegenover haar twee andere zussen te staan. Hoewel ze alle drie een luxe leven leidden hadden ze het niet altijd makkelijk. Dochter van China is een drievoudige biografie over hun leven en hoe ze uitgroeiden tot wie ze waren: de drie machtigste vrouwen van het Chinese rijk.
  
Conclusie 
Jung Chang is vooral gekend van haar roman Wilde Zwanen uit 1991 die een wereldwijde bestseller was. Dochters van China ziet zij zelf als het derde deel van een trilogie, waarvan haar biografieën over Mao en Cixi deel één en twee zijn. Jung wil met deze trilogie, aan de hand van belangrijke personages, de geschiedenis van China van de twintigste eeuw weergeven.

Wilde zwanen is één van mijn favoriete boeken, doch De Keizerin over het leven van Cixi beviel me dan weer net iets minder. Het niveau van haar eerste boek Wilde zwanen werd voor mij niet geëvenaard en ik had eerder ook de roman van Pearl.S.Buck gelezen over Cixi die voor mij toch beter was. Reikhalzend keek ik uit naar Jung Changs volgende boek Dochters van China die over de zussen Mei-Ling (echtgenote van Chiang Kai-Shek), Ei-Ling en Ching-Ling (echtgenote van Sun Yat-Sen). Oorspronkelijk zou Jung een biografie schrijven over Sun Yat-sen, maar tijdens haar research kwam ze op het idee om zich vooral op de drie zussen te richten.

De drie delen van deze trilogie kan je perfect afzonderlijk lezen, het zijn namelijk drie aparte onderwerpen. Wanneer je ze wel alle drie wil lezen, kan je ze misschien beter in chronologische volgorde - van wanneer de hoofdpersonages leefden -  lezen dan in de volgorde waarin ze verschenen zijn,  namelijk : De Keizerin; Mao, het onbekende verhaal; Dochter van China om zo een beter beeld te krijgen van de Chinese geschiedenis.

Een ander feit wat mij ook onmiddellijk opviel, was dat er geen verwijzing was aan het begin van het boek over welk transcriptie systeem de auteur heeft toegepast voor de Chinese namen. Wat voor lezers die vaak boeken over China lezen wel wat ongemakkelijk kan zijn, gezien er toch heel wat verschillende transcriptie systemen zijn. Voor mij had dit het lezen gemakkelijker gemaakt.
Dochters van China is een biografie over drie sterke vrouwen uit Shanghai die toch wel invloed hebben gehad op de geschiedenis van China. Het is daarom zeker niet eenvoudig één boek te schrijven, laat staan één biografie over drie personen, ook al zijn het zussen van elkaar. De auteur heeft het zich dus zeker niet makkelijk gemaakt door er één boek van te maken.

Dochters van China is geschreven in de gekende stijl van Jung, feiten, data, namen, … volgen elkaar vlot op zonder dat het verwarrend wordt. Het boek leest als een waargebeurde roman. Inhoudelijk vond ik dat in bepaalde hoofdstukken de aandacht teveel op Sun Yat-Sen en Song Jiashu (de vader van de zussen) lag, waardoor mijn aandacht hier toch wel verslapte. Het is een boek over vrouwen en dan moeten ook zij in het middelpunt blijven staan. Jung heeft wel zeer grondige research verricht, het volledige plaatje klopt tot het kleinste detail en je leert toch wel weer zeer veel bij over China. Ik blijf het een fascinerend land vinden met een boeiende cultuur en deze passie wordt steeds verder aangewakkerd door de boeken van Jung Chang. Het boek is volgens mij wel eerder geschikt voor lezers die al iets weten over China en haar geschiedenis van de 20ste eeuw, zoals wie Chiang Kai-shek is, wat het communisme inhoud voor de Chinezen, wie Sun Yat-sen is, etc….

Het boek zelf is een mooie gebonden editie met enkele foto’s ter illustratie en achteraan een volledige bibliografie met verwijzingen naar de archieven waar de auteur gebruik van gemaakt heeft.

Dochters van China is een mooi werk, maar ik bleef hier en daar toch nog wat op mijn honger zitten. De focus op de drie zussen verslapte af en toe en al te vaak werd de aandacht verlegt naar sterke mannelijk figuren uit dezelfde periode. Misschien had een biografie over Sun Yat-sen dan meer tot zijn recht gekomen? Niettegenstaande een krachtig boek! Van mij krijgt het boek een 3.5 sterren ***

Silke
Perfecte Buren


‘De programmeerbende’ – Inge Strijker



Genre: jeugd
Uitgeverij: De Onderstroom
Uitvoering: paperback
Pagina’s: 200
ISBN: 9789083043708
Verschijningsdatum: januari 2020

Met dank aan Uitgeverij De Onderstroom voor het recensie-exemplaar.

Inge Strijker is docent Bedrijfsmatige Informatica bij de Hogeschool Windesheim. Met De programmeerbende heeft zij een leuk, informatief en interactief jeugdboek geschreven dat hopelijk deze en volgende generaties weet te enthousiasmeren voor ICT en in het bijzonder voor programmeren. Gamen doen ze allemaal, maar met programmeren en spelletjes ontwerpen valt veel geld te verdienen als je goed bent. Ik was zelf erg jaloers dat ik niet zo briljant ben als de vier achtstegroepers die zich De Programmeerbende noemt.

Een leuke feit is dat de hoofdrolspeelster Felienne Hermans ook echt bestaat. Ze is geen elf meer en zit niet meer in de achtste groep van de basisschool, maar zoals het verhaal zonder het meisje Felienne niet zou bestaan, zo zou de website die bij dit boek hoort niet bestaan zonder de volwassen Felienne. Felienne Hermans is docente aan de TU Delft en heeft met Strijker aan dit project samengewerkt. Alle programma’s die in het boek genoemd worden en zelf na te bouwen zijn, alsmede een lesprogramma voor basisscholen, zijn te vinden op deze website.

Inge Strijker: ‘Wat mij betreft is het in eerste instantie een spannend leesboek, maar ik hoop natuurlijk dat kinderen door het lezen ervan snappen dat programmeren niet in dat saaie nerderige hoekje zit, maar erg leuk is voor iedereen. En dat kinderen die heel erg met computers bezig zijn zien hoe leuk lezen is.’ bron: Francisca Muller, www.destentor.nl

Felienne is elf en zo dol op programmeren dat ze dat wel de hele dag zou willen doen. Vader Frans en moeder Annie zijn heel streng en ze mag niet meer dan een half uurtje per dag op de computer die in de studeerkamer van haar vader staat. Haar klasgenootjes hebben eigen computers en zelfs laptops, maar omdat haar ouders een opvoedboek hebben gelezen over hoe slecht computeren is voor kinderen, mag zij weinig erop. Haar zusje Britt vindt dat niet erg, zij is op een andere manier creatief en houdt van tekenen.

Daarom heeft Felienne een snurkdetectorapp gemaakt die precies aangeeft wanneer haar vader in slaap is gevallen. Dan sluipt zij rond middernacht naar beneden om met haar klasgenootje Pepijn te Skypen en om aan haar programma’s te werken. Haar grote droom is om mee te doen met de Programmeerliga in Riga. Pepijn’s slimme moeder Olga heeft deze wedstrijd vroeger gewonnen en werkt nu met computers. Een paar jaar geleden heeft ze zelfs Pepijn en zijn klasgenoten computerles gegeven op hun basisschool. Zij begrijpt hoe belangrijk programmeren is voor Pepijn en Felienne.
Om mee te kunnen doen aan de Programmeerliga moet Felienne een zelfgemaakte programma insturen in de voorronde. Om haar moeder te paaien, die kunstdocent is en niets met kunstmatige intelligentie te maken wil hebben, maakt ze een programma dat kan tekenen.

De school wil een lesrobot kopen en daarom houden ze binnenkort een markt waar alle leerlingen zelfgemaakte dingen kunnen verkopen om zo aan het geld te komen. Felienne ziet dit als een uitgelezen kans om haar ouders te imponeren en bedenkt samen met Pepijn, Jan en Noortje een aantal leuke programma’s. Sommige zijn ook erg lekker, zoals de strooprobot die een tekening kan natekenen met stroop op een pannenkoek. En dat voor maar een euro per stuk! Pepijn had zijn twijfels, maar Felienne overtuigt hem: ook meisjesachtige meisjes zoals Noortje kunnen heel goed programmeren. Ze hoeven niet als een jongen uit te zien zoals Felienne met haar korte haar.

Dan opeens doen de computers het niet meer in het computerlokaal. Ze zijn gehackt! Meer basisscholen zijn gehackt door ransomware. Maar hun school heeft niet genoeg geld om de hackers te betalen. Hoe kunnen ze nu de programma’s afmaken voor de markt? Hoe kan ze nou haar ouders ervan overtuigen dat programmeren en computeren haar leven zijn en dat ze haar echt toestemming moeten geven voor de Programmeerliga?

Vader Frans is rechercheur en omdat de computerexpert van de politie ziek is, zit hij nu op de zaak. Waarom hij?! “Haar vader die meestal mopperend achter de computer zit en schreeuwt: ‘Waarom snapt dat ding nou nooit wat ik wil?’”(pag.15) Samen met zijn collega Cees gaat hij vingerafdrukken zoeken voor een cybercrime! Oh jee, haar vader heeft echt hulp nodig. De Programmeerbende heeft al gauw een idee wie de schuldige zou kunnen zijn. Nu moeten ze alleen nog het kunnen bewijzen, anders gelooft vader Frans hun niet.

Wat volgt is een vermakelijke zoektocht naar de dader en de bewijzen terwijl ze ook naar school moeten en hun programma’s voor de markt moeten afmaken. Qua sfeer deed het verhaal me denken aan Brammetje Bond en zijn club van Jan Louwman. Slimme basisschoolleerlingen die in groepsverband mysteries oplossen, activiteiten uitoefenen en gezellige uitjes hebben. Ik las ze als kind en verbeeldde me dat ik in de club van Brammetje Bond zat. Zoals ik nu wilde dat ik in De Programmeerbende zat.

Het verhaal was leuk en spannend met mooie tekeningen. Het boek leest erg vlot weg, ook door de grootte van het lettertype en ruimte tussen de zinnen in. Niet alleen is het verhaal erg goed, door de interactiviteit krijgt het boek een extra dimensie. Daarom geef ik De Programmeerbende een dikke 3½ van de 5 sterren. Koop het boek voor je kind en wie weet wordt hij/zij de volgende Mark Zuckerberg of Tim Cook.

Liliën  
Perfecte buren


maandag 30 maart 2020

‘Op het verkeerde moment’ – Heleen Smit



Genre: thriller
Uitgeverij: De Crime Compagnie
Uitvoering: e-boek
Pagina’s: 300
ISBN: 9789461094216
Verschijningsdatum: februari 2020

Met dank aan De Crime Compagnie voor het recensie-exemplaar.

Het debuut van Heleen Smit brengt een discussie op gang voordat je nog een pagina hebt gelezen. De tekst op de cover: ‘Je rijdt in een sneeuwstorm over een stil bosweggetje. Er ligt iets op de weg. Zou jij stoppen?’

Ongeacht wat je zou doen, weten we meteen dat Sophie Hofman wel gestopt is. Zonder dit zou het 300 pagina’s tellend verhaal niet zo spannend zijn geweest. Ze heeft haar vader beloofd om Bram, de verstandelijk beperkte broer van haar ex op te halen van de zorginstelling waar hij woont, zodat Bram zijn verjaardag thuis kan vieren. Sophie heeft daar geen zin in, maar omdat zij de beschikking heeft over een oude Defender die in de sneeuw kan rijden, kan ze geen nee zeggen. Bovendien zijn de ouders van Bram niet alleen haar ex-schoonouders, maar ook de beste vrienden van de familie.

Sophie en Bram rijden op een verlaten bosweg naar huis als er iets de weg blokkeert. Sophie besluit uit te stappen. Er ligt een gewonde man op de weg, slechts gekleed in een sweater en trainingsbroek en stevig onderkoeld. Ze heeft geen bereik en besluit de man mee te nemen in de auto. Nog voordat ze dat kan doen, bedreigt de man haar met een mes. Hij blijkt een ontsnapte gevangene te zijn. Ze gaan naar de vader van Sophie die huisarts is en de man, Vince, kan oplappen. Voordat Sophie het weet, wordt ze gegijzeld en als levend schild meegenomen door hem.

De onberekenbare broer van Vince, Danny, hielp hem met ontsnappen en nu moeten ze zich schuil houden. Wat volgt zijn angstige dagen waarin Sophie een goede verstandhouding moet zien te krijgen met Vince, haar leven hangt ervan af. Ze komen nader tot elkaar en Sophie is in conflict met de gevoelens die ze voor Vince krijgt.

Zoals iedere gevangene claimt Vince onschuldig te zijn. Voordat Sophie daar een oordeel over kan vormen, scheiden hun wegen. Terug in de bewoonde wereld kan Sophie Vince niet uit haar gedachten zetten. Het is inmiddels weken later. Ze besluit haar journalistieke vaardigheden te gebruiken om in de kranten te duiken en een eigen onderzoek op te zetten om de waarheid te achterhalen. Dat blijkt een verkeerde zet te zijn.

Ondertussen gaat haar leven gewoon door. Van een journalist die het nieuws over anderen versloeg, is zij nu het lijdend voorwerp van de pers. Ze werkt, gaat uit met vrienden en ontmoet Leo, een aantrekkelijke vrijgezel. Af en toe is het verhaal voorspelbaar en vraag je je af hoe Sophie dat niet doorheeft. Maar verder leest het verhaal ontzettend vlot. Ik keek op een gegeven moment op de klok en het was al half 2 ’s nachts. Maar ik had nog maar een kleine 100 pagina’s te gaan (op mijn e-reader is het boek ruim 800 pagina’s en was ik ergens rond 550 beland) en ik moest en zou weten hoe Op het verkeerde moment een juiste einde zou krijgen.

Ik heb niet vaak een debuut gelezen dat zo sterk, spannend en uitstekend geschreven is. Geen enkel moment verveelt het boek je. De hoofdkarakters zijn in ontwikkeling, Sophie groeit enorm in het verhaal. De gebeurtenissen zijn nagelbijtend spannend. De sfeer is vaak grimmig in de spannende stukken en je krijgt er gewoon kippenvel van. Er is ook ruimte voor romantiek die niet afleidend werkt, maar in het verhaal past. Smit leidt ons naar een spannende climax die niet teleur stelt. Er is zelfs ruimte voor een vervolg gelaten. Omdat voor mij niet alle vragen beantwoord waren en niet alle verhaallijnen zijn afgerond, krijgt Smits Op het verkeerde moment 4½ van de 5 sterren van mij. Echt een aanrader in deze zware tijden.

Liliën  
Perfecte buren

‘De verhalen van Auruco deel 3: Een ijzeren vuist' - Sebastiaan Koen



Genre: fantasy
Uitgever: Zilverbron
ISBN: 9789463081931
Uitvoering: paperback
Aantal pagina's: 313
Uitgave: november 2019

Met dank aan Sebastiaan Koen voor het recensie-exemplaar.

Het verhaal
Elisia maakt zich ongerust, Skjald is al drie dagen zoek. Samen met haar vrienden gaat ze op zoek naar hem. Ze komen erachter dat Skjald ontvoerd is en door ongure types is meegenomen naar het noorden. Aangezien de groep van plan is naar de IJzeren Stad te gaan voor een belangrijke taak, besluiten ze zich op te splitsen. Elisia gaat met de kinderen van Wargan - Covion en Kyra - achter Skjald aan. De rest vertrekt naar de IJzeren Stad. Ze reizen via de stad Vatthar voor extra manschappen. Dorvin denkt terug aan de gebeurtenissen in Vatthar en heeft nog steeds een schuldgevoel over de gebeurtenissen tijdens de strijd om de stad.

Tijdens hun reis zien ze hoe erg de bevolking en het landschap heeft geleden onder de aanval van Felkon. Als ze aankomen bij de IJzeren Stad, is het gelijk duidelijk waarom deze hulp nodig heeft. Styrr en haar meester Felkon proberen de bewoners van de buitenwereld af te snijden en eisen smeden en metaal. Samen met bondgenoten en manschappen uit de IJzeren Stad gaan de gebroeders Staalhart op weg naar Istongyr om het op te nemen tegen Styrr. Ze besluiten de stad Istongyr, de stad vol Ziellozen, aan te vallen en zo Styrr een halt toe te roepen in een poging de vijand te verzwakken.

Conclusie
In de proloog krijg je een blik in het verleden. Het is het jaar 309 na de grote overstroming. Onder leiding van koning Goudader zijn tienduizenden strijders het gevecht met Felkon Demonos aangegaan. De slag duurt al een paar dagen, beide kanten zijn aan elkaar gewaagd. Wargan en Artharn worden tot hun verbazing tijdens het gevecht bij de koning ontboden. Hij heeft een geheime missie voor hen. Deze proloog geeft je meer inzicht op de gebeurtenissen uit de eerdere delen. In het eerste hoofdstuk maakt de schrijver weer een sprong naar het heden, het is dan het jaar 328 na de grote overstroming. Het eerste hoofdstuk begint ook gelijk spannend. Skjald is verdwenen en Elisia gaat met vrienden naar hem op zoek, terwijl de anderen uit hun groep op pad gaan naar de IJzeren Stad, wat nog maar het begin is van een spannend avontuur.

Ook dit derde deel is wederom een meeslepend verhaal. Het leest vanaf het begin gelijk weer lekker, net als de eerste twee delen van de serie. Sebastiaan Koen heeft een aangename schrijfstijl. Wat ik zo intrigerend vind aan deze serie, is dat Sebastiaan Koen vooral de veldslagen beeldend beschrijft. Je hebt het gevoel erbij aanwezig te zijn, de schrijver schuwt er niet voor gruwelijkheden te beschrijven tijdens de gevechten. Sommige gevechten waren nagelbijtend spannend. Ook andere scènes zijn uitstekend beschreven, ik had een aantal keren een brok in mijn keel, zowel van ontroering als van verdriet. Sebastiaan Koen weet het verhaal met veel overtuiging over te brengen en de belevenissen van de diverse personages hielden mij in hun greep, ook nog na het lezen.

En dan dat onverwachte einde! Dit belooft veel voor het vierde deel, waarmee Sebastiaan Koen inmiddels al bezig is. Ik geef Een ijzeren vuist graag 4,5 sterren.

Jeanine
Perfecte Buren

Lees HIER de recensie van ‘Verhalen van Auruco 1, een rijk in verval’
Lees HIER de recensie van ‘Verhalen van Auruco 2, een koninklijk verraad’

vrijdag 27 maart 2020

‘De wasbeer’ – Aleksandr Skorobogatov

 

Genre: literaire roman
Uitgever: De Geus
ISBN: 9789044542974
Uitvoering: paperback
Aantal pagina's: 540
Uitgave: februari 2020

Hartelijk dank aan Uitgeverij De Geus voor het beschikbaar stellen van dit recensie-exemplaar.

In dit zowel hilarisch als droevig boek fungeert een wasbeer als hoofdpersonage. En figureert hij als een soort van ‘een klein mens’. De sympathieke en kwetsbare wasbeer heeft dromen die onuitvoerbaar zijn, maar hem tegelijk de kracht geven om de wrede wereld te overleven. Zo wil hij graag zelfstandig vliegen, waarbij hij vooral niet van ophouden weet. Hij beschermt zijn kepie, een soort petje, tegen duiven en verwijdert zijn vlooien. Dit alles stelt niets voor wanneer zijn grote liefde in opgezette vorm in het museum belandt. Daarop stelt de wasbeer alles in het werk om zijn geliefde te redden en terug onder de levenden te brengen.

Mening
Met De wasbeer heeft de in Antwerpen wonende Rus Aleksandr Skorobogatov zijn derde boek neergezet. Het gaat om een moderne fabel, die zowel hilarisch als melodramatisch is. Alsook ironisch. Al maakt het lijve boek, met 540 pagina’s, het wel een verhaal van lange adem.

Het is in het begin even wennen wanneer je aan het boek begint. Een wasbeer als hoofdpersonage van een roman, dat zie je niet vaak. Het is dan ook de bedoeling dat je in de wasbeer een gewone, kleine man ziet. Eens soort antiheld ook. Iemand die erg veel tegenslagen heeft, maar ondanks alles telkens vastbesloten verder gaat. En óf onze wasbeer extreem veel klappen krijgt! En dan is dit nog maar heel zachtjes uitgedrukt.

De verhaallijn draait volledig rond onze reeds genoemde wasbeer. Je volgt hem als lezer op zijn pad met avonturen en tegenslagen, waarbij hij telkens weer opkrabbelt. Het verhaal wordt als een soort levensverhaal verteld, waarbij er af en toe teruggekeken wordt naar een eerdere periode van de wasbeer. Zoals toen hij wees werd of wou leren vliegen. Maar waar het uiteindelijk om gaat, is dat hij de liefde van zijn leven heeft gevonden, die door zijn eigen stomme fout de weg richting mensen – en een leven als opgezet dier in het museum – koos. Na het nodige treuren en doemdenken besluit hij haar op te zoeken en alles op alles te zetten om haar (levend) mee naar huis te krijgen. Ondertussen maakt hij allerlei absurde dingen mee, die vaak heel erg overdreven zijn. De wasbeer maakt letterlijk ongeloofwaardige avonturen mee. Vaak hilarisch, maar soms ook droevig en ernstig.

Het vertelperspectief gebeurt vanuit de derde persoon. Zo is de wasbeer vaak aan het woord, gezien het verhaal over hem gaat. Speciaal is echter het gebruik van een verteller, dat het levensverhaal van de wasbeer als het ware aan ons, de lezers, vertelt. En alsof hij zelf een soort personage is, stuurt hij mee naar waar het verhaal gaat, door bijvoorbeeld dieper over de filosofie van het leven na te denken, of te lang en te diep in te gaan op onbelangrijke zaken. Daarbij merk je ook emoties op bij de verteller, en het is zijn bedoeling dat wij als lezer dit ook voelen. We worden als het ware in het verhaal betrokken. Dit alles is leuk, maar het maakt het verhaal moeilijker om te lezen en te volgen. Het verhaal is ook op een vrij hoog intellectueel niveau geschreven, wat het geen gemakkelijk en vlot te lezen boek maakt.

Het hoofdpersonage, de wasbeer, is extreem goed neergezet in het verhaal. Het is ook daarmee dat het verhaal deels staat of valt, met hoe ‘echt’ onze wasbeer overkomt, en hoe goed we ons ermee kunnen associëren. Je kunt het karakter van de wasbeer omschrijven als: lief, goedgelovig, naïef, gevoelig, schuw, meelevend, maar tegelijk ook dapper en beschikkend over een extreem groot doorzettingsvermogen. Hij draagt een kepie met kokarde van zuiver goud, iets waar hij zich, zeker in het begin bijzonder aan hecht. Net zoals zijn droom en onvermoeibare pogingen om ooit te kunnen vliegen. ‘Dat hij maar niet met al zijn uitrusting van de eik tuimelt,’ merkt u op, om het volgende ogenblik van gruwel en verbazing uw mond te bedekken met uw handpalm. Blz. 116

Oordeel
Ik vond het een bijzondere ervaring om De wasbeer van Aleksandr Skorobogatov te lezen. Het was heel erg wennen aan de bijzondere schrijfstijl, waarbij ik het gevoel had persoonlijk bij het verhaal betrokken te geraken. Dat vond ik wel leuk, zo ontdekte ik weer eens iets nieuws. Ik ben alleszins fan van deze dappere wasbeer. Ook houd ik wel van verhalen die wat humor en sarcasme bevatten. Alleen mag daar niet in overdreven worden, wat hier helaas wel zo is. Het verhaal was soms zo absurd dat ik het niet eens meer grappig vond. Zoals bepaalde passages waar God als personage erbij kwam. Alleen het slot, dat een parodie is van een passage uit de Bijbel, vond ik wel leuk bedacht. Daarnaast mocht het verhaal van mij ook een stukje korter zijn, nu werd er teveel in detail gegaan, waardoor ik vaak mijn concentratie verloor. Zeker door het moeilijke taalgebruik. Dat is jammer, want De wasbeer heeft wel degelijk positieve elementen en een enorm potentieel. Daarom krijgt het boek van mij 2½ sterren.

Severine 
Perfecte Buren


donderdag 26 maart 2020

Boek van de maand Roelant meets ... Lieneke Dijkzeul









Na jaren is er weer een nieuw boek met inspecteur Paul Vegter verschenen. Een mooie gelegenheid om de auteur, Lieneke Dijkzeul, op te zoeken. We hebben afgesproken in een rumoerig cafeetje, midden in het centrum van Culemborg. Wat meteen opvalt, is haar mooie, warme stem, zonder een zweempje accent.

Lieneke: ‘Hoewel ik in Sneek ben geboren, praat ik geen Fries. Wij spraken thuis gewoon Nederlands. Ik kan het Fries wel verstaan en goed lezen, maar spreken is toch iets anders. In mijn boeken gebruik ik het wel hier en daar. Voor Talsma is het leuk. Als er iémand Fries is, is het Talsma wel. Dan is het leuk om er af en toe iets Fries in te stoppen. Maar dat moet ik wel opzoeken in een Fries woordenboekje.’

Roelant: ‘Hoe lang heb je in Friesland gewoond?’

Lieneke: ‘Toen ik begin twintig was, ben ik naar Amsterdam verhuisd en nooit meer teruggekeerd. Maar Sneek was een leuke plaats met aardige kroegen en leuke koffietentjes waar je gezellig kon afspreken. Het was heel gemoedelijk. Veel leuker dan Leeuwarden destijds.’

Roelant: ‘De mensen lijken daar minder haast te hebben. Je hebt ergens gezegd dat je het tegenwoordige leven zo jachtig vindt. Dat je zou willen dat de tijd wat langzamer zou gaan.’

Lieneke: ‘Ja, dat is ook zo. Het moet tegenwoordig allemaal ongelooflijk snel. Gelukkig valt dat in Groningen, Friesland en Drenthe nog wel mee.’

Roelant: [aanvullend] ‘En Limburg?’

Lieneke: [lachend] ‘Limburgers zijn uitermate traag. Dat is weer het andere uiterste. Maar verder moet alles snel tegenwoordig. Het wordt er allemaal ook niet vriendelijker op ook. Mensen zijn bot. Dat is ook de reden dat ik geen gebruik maak van Twitter en Facebook en dergelijke. Mijn man heeft een Facebook-account en als je ziet wat er langs komt… Dan denk ik: zo ga je niet met elkaar om. Men braakt maar iets uit. De helft anoniem ook nog. Bedreigingen zelfs. Zoveel ontevreden mensen. En dat wordt dan aangewakkerd door Forum van Democratie, PVV, noem maar op.’

Roelant: [lachend] ‘Je licht al een klein tipje van de sluier van je politieke voorkeur op.’

Lieneke: ‘Nou ja, hoe ouder je wordt, hoe cynischer natuurlijk.’

Roelant: ‘Is dat zo?’

Lieneke: ‘Ja, ik wel. Je hebt alles al heel vaak langs zien komen. Ook alle schone beloften van politici waar nooit iets van terecht komt. Ook al weet je dat eigenlijk wel, je wordt er toch telkens door teleurgesteld. Als je ouder wordt zie je veel mensen om je heen doodgaan. Ik heb dat gezien met mijn schoonmoeder bijvoorbeeld. Ze werd hulpbehoevend, maakte niets meer mee. De bezoekjes van kinderen en kleinkinderen waren verplichte nummers. Kennelijk verlies je dan de interesse in de buitenwereld. Je volgt de politiek niet, leest geen krant meer. Er verandert niets voor je gevoel. Politiek bedrog is van alle tijden. Haat en nijd, oorlog.’

Roelant: ‘Qua wereldleiders zitten we nu in een slechte tijd: Trump, Putin noem maar op.’

Lieneke: ‘Ja, ik zie dat met angst en beven tegemoet. Mijn tijd zal dat wel uitduren, maar ik heb ook kleinkinderen. Dat gewetenloze van die leiders is zorgwekkend. Zo’n Trump heeft een vocabulaire van misschien 500 woorden. Ongelooflijk dat hij president kon worden. En dat na Obama, toch een toonbeeld van beschaving.’





Roelant: ‘Als we even terug in de tijd gaan. Begin twintig ben je naar Amsterdam gegaan. Ging je studeren?’

Lieneke: ‘Nee, ik ging meteen werken. Op Schiphol. Kamer gezocht en gevonden in Amsterdam. Dat was een heerlijke tijd, jaren 70. Hippie tijd. Daar mijn man ontmoet. Hij werkte destijds in een distributiecentrum voor boeken in Hoofddorp. Dat werd overgenomen door Centraal Boekhuis. Die zaten in Culemborg. Ik moest eerst opzoeken waar dat lag. Verhuizen van Amsterdam naar Culemborg was best een flinke stap. Anderzijds liggen je wilde jaren een beetje achter je. Onze relatie was stabiel. En als je dan kinderen wil, liever niet in Amsterdam. De huisvesting was toen al beroerd. We woonden toen in een souterrain op de Keizersgracht. Mijn man vond zijn werk leuk, zodat we zijn meeverhuisd naar Culemborg. Daar hebben we eigenlijk nooit spijt van gehad. In het begin was het héél stil, zo komend uit Amsterdam. Je dacht: gebeurt hier wel iets? Maar we kregen wel een goed huis met een tuin. Dat was een enorme vooruitgang. Zeker die tuin was heel plezierig. Was het in het begin wennen, nu appreciëren we de rust enorm. Mijn man is geboren en getogen Amsterdammer, maar vindt het nu een vreselijke stad. Ik vind een dagje Amsterdam nog wel leuk om familie of vrienden te bezoeken. Of een keertje naar het Concertgebouw.’

Roelant: ‘Je hebt eens gezegd dat je van alleen zijn houdt. Je schrijft het liefste ’s avonds en ’s nachts.’

Lieneke: ‘Ja, ik vind dat prettig. De wereld slaapt en ik ben wakker. Altijd gehad. Voor het schrijven is dat heel prettig. In de zomer schrijf ik de laatste tijd wat meer overdag, omdat ik dat in de tuin kan doen. Ik schrijf alles met de hand. Ik ben teruggegaan naar het oude handwerk. Ik heb gemerkt dat dat de concentratie versterkt. En dat werk ik dan ’s avonds uit in mijn werkkamer op de PC. Dat print ik en ga ik het nakijken. Dan heb je al een beetje afstand tot de tekst gemaakt. Dan zie je scherper wat nog niet deugt en wat nog aangepast moet worden. Zo maak ik kopie na kopie na kopie.’

Roelant: ‘Als lezer merk je dat jouw boeken heel erg gestript zijn. Er zitten geen overbodige woorden in, de tekst is helder en compact. Qua stijl moet ik zelfs aan Hemingway denken, die zijn teksten altijd terugbracht tot de essentie.’

Lieneke: ‘Dat vind ik wel een compliment!’

Roelant: ‘Dat vind ik ook, want Hemingway is mijn held. Die korte, kernachtige zinnen, die bespiegelingen.’

Lieneke: [lachend] ’Ik begrijp het wel. Het is een beetje arrogant, maar ik begrijp wel wat je bedoelt. Die schitterende dialogen van hem. Ik heb er veel van gelezen en kan daar erg van genieten. Nog één zo’n compliment en ik heb de fles wijn die je voor me meegenomen hebt echt verdiend, hahaha.’

Roelant: ‘Je bent begonnen met kinderboeken. Ook de Okki en de Taptoe…’

Lieneke: ‘En de Donald Duck. Ja, korte verhalen. Je moet ergens beginnen en je weet niet van tevoren of je het kunt. Je begint niet meteen met een boek. Je kijkt eerst naar het aantal woorden dat je mag gebruiken. Dat is al een uitdaging, om te kijken of je binnen die beperking kunt blijven. Als dat allemaal lukt, is het wel geweldig dat je wordt betaald voor wat je schrijft. Dat herinner ik me nog heel goed, dat was ontzettend leuk. Zoiets is heel bemoedigend.’

Roelant: ‘Hoe oud was je toen?’

Lieneke: ‘Achter in de dertig. Mijn dochter was een jaar of zeven. Dat is de tijd dat ik ben begonnen met schrijven. Ik las haar ontzettend veel voor. Er waren toen ook al heel veel goede kinderboeken, maar je kwam ook veel troep tegen. Zo slecht geschreven… Dat ik echt dacht van, nou…’

Roelant: ‘Dat kan ik beter.’

Lieneke: ‘Precies. Nou dan moet je het doen ook. Een paar jaar vingeroefeningen gedaan zeg maar. En daarna de stoute schoenen aangedaan en opgestuurd. Dat kleuterblad Bobo, hele series voor geschreven. Vervolgens aan een boek begonnen. Maar, nee. Ik voelde mijzelf op Annie MG Schmidt lijken en dat moest ik niet doen. Weggegooid en opnieuw begonnen. Daarna opgestuurd naar twee uitgeverijen tegelijk. Die wilden het allebei hebben. Ik heb toen voor Lemniscaat gekozen.’

Roelant: ‘Een gerenommeerde uitgever van kinderboeken!’

Lieneke: ‘Ja, de grote namen zaten daar. Jan Terlouw, Thea Beckman, enz. En toen rolde het balletje. Heel veel jaren gedaan. Daarnaast scenario’s en liedjes voor kinderen geschreven voor televisieprogramma’s. Dat heb ik ook een jaar of vijftien gedaan. Tot er een bezuinigingsronde bij de publieke omroep kwam, waarin alleen herhalingen werden uitgezonden. Zodoende kreeg ik opeens veel tijd. Eindelijk tijd om mijn werkkamer eens op orde te brengen. Kwam ik een kort verhaal, dat ik ooit eens geschreven had, tegen. Ik las dat. Het was niet heel best, maar het leende zich wel voor iets veel groters. Het had iets in zich waar ik verder mee aan de slag kon. Ik had op dat moment de tijd. Ik begon al om tien uur in de ochtend te schrijven, wat normaal niets voor mij is, zo vroeg. Maar het was ontzettend leuk om te doen. Ik zat helemaal in de flow. Dat werd De Stille Zonde. Het was ook een soort eyeopener voor mijzelf. Als je voor volwassenen schrijft, kun je je hele vocabulaire aanschrijven. Elk onderwerp dat je maar wilt. Ik heb jarenlang gezegd dat ik nooit voor volwassenen zou gaan schrijven omdat kinderen een veel leuker publiek zijn. Maar na dat boek werd het een ander verhaal. Ik liet het lezen in huiselijke kring en die waren ook enthousiast. Vervolgens aan Ambo-Anthos aangeboden en de rest is geschiedenis. Je kunt natuurlijk jezelf kleiner maken dan wie je bent door dingen niet te durven. Maar als je iets niet probeert….’






Roelant: ‘Het genre dat jij schrijft, de politieroman, wordt in Nederland niet zo heel veel gedaan. De sfeer in jouw boeken is heel Scandinavisch. Ik moet denken aan Henning Mankell met zijn Wallander reeks. Cynisch, duister.’

Lieneke: ‘Dat is waar. De Zweden zijn nu eenmaal niet de vrolijkste mensen. Ik kan me dat ook voorstellen met dat klimaat, hahaha. Ik ben bevriend met Inger Frimansson, een Zweedse thriller auteur. Haar boeken vind ik erg goed. Vergelijkbaar met mijzelf is zij óók begonnen met het schrijven van kinderboeken. Die Zweedse taal is bijzonder aantrekkelijk. Via haar Zweedse kinderboeken heb ik een beetje Zweeds geleerd. Dat lukte wonderwel. Het is een mooie taal, verwant aan het Fries. Tegenwoordig lees ik ook haar thrillers in het Zweeds. Ik ben ook een groot bewonderaar van de boeken van Sjöwall & Wahlöö.’

Roelant: ‘Klassiekers, absoluut. Grappig ook hoe in hun boeken de politie er soms helemaal niet uitkomt en dan door een toevalligheid de zaak opgelost wordt. Niks geweldig politiewerk.’ [we lachen uitgebreid]

Lieneke: ‘Ja! Ik moet opeens aan Raymond Chandler denken. [noot interviewer: Chandler=een beroemd Amerikaans misdaadauteur uit het midden van de vorige eeuw] Ik vind zijn boeken volstrekt onleesbaar trouwens, want je bent absoluut de draad kwijt. En dat was hij zelf óók. Een beroemde uitspraak van hem was dat wanneer hij het kwijt was of er niet meer uit kwam, dan liet hij een deur opengaan in zijn verhaal en kwam er een vent binnen met een pistool. Dan kon hij weer door. Dat proefde je bij Sjöwall & Wahlöö ook wel een beetje. Er zitten heel zwakke plekken in hun boeken, maar je smult er wel van.’

Roelant: ‘Wat zij ook in hun boeken gestopt hebben, is een flinke portie maatschappijkritiek. Dat doe jij minder, of anders. Jij zet mensen neer die eenzaam zijn, die slecht behandeld worden door het systeem.’

Lieneke: ‘Ja, dat is meer mijn thema. Het kleine, individuele leed. Dat vind ik prettiger. Ik doe het liever op microniveau. Ik heb niet de behoefte om de maatschappij aan de kaak te stellen. Althans, niet in die grote lijnen. Mijn schoonvader heeft 41 jaar bij de politie gewerkt. Daar hoorde ik af en toe verhalen van waarvan ik dacht, dit kan eigenlijk niet. Maar hij had daar totaal geen moeite mee. Talsma in mijn boeken doet hetzelfde. Een goede, integere politieman die desondanks af en toe dingen doet die buiten het boekje zijn. Op de een of andere manier spreekt me dit wel aan. Er is een soort recht buiten de wet. En daar ben ik het wel mee eens, binnen bepaalde grenzen.’

Dank je wel, Lieneke, voor dit heerlijke gesprek.

Roelant
Perfecte Buren 

Meegedaan met de winactie? Kijk dan snel of jij een van de gelukkige bent die binnenkort een exemplaar in zijn brievenbus mag verwachten. 
Proficiat Marja Legius - Marian Boersma - Marc Caluwé - Jannie Weerts - Anton van Alphen
Het antwoord op de vraag is Klaas en Wolf.


Lees HIER de recensie 'Een vorm van verraad'